In zijn tweede brief herinnert Petrus ons aan het goede nieuws dat God ons, door Zijn goddelijke macht, ALLES geschonken heeft “wat nodig is voor een godvruchtig leven hier op aarde (2 Petrus 1:3-4). En wanneer wij in “dezelfde mate” het geloof ontvangen hebben als Petrus (2 Petrus 1:1), dan zullen wij dezelfde genade ontvangen en deel hebben aan Gods karakter zoals hij daar deel aan had. Dan zal het karakter van Christus – kennis, zelfbeheersing, volharding, godsvrucht, broederliefde en liefde voor iedereen bij ons aanwezig zijn en toenemen (2 Petrus 1:5-11), het zal ons vruchtbaar maken en ons bevrijden van blindheid en kortzichtigheid (2 Petrus1:8-9). Iedereen die in Christus blijft zal veel vrucht dragen (Johannes 15:5). Dus, wanneer de eigenschappen van Christus niet in toenemende mate in ons zichtbaar worden, dan is dit een aanwijzing dat wij niet in Jezus blijven en niet onder de ware genade van God leven.
Zij die nederig zijn ontvangen niet alleen genade om te overwinnen, maar ook om met elkaar één te worden. Net als een man en vrouw in het huwelijk samen genade ontvangen, als “mede-erfgenamen van het leven door genade”, zo kunnen ook gelovigen dezelfde genade ontvangen dat hen mede-erfgenamen maakt met andere gelovigen in het Lichaam van Christus.
In de laatste nacht van Zijn aardse leven bad Jezus dat wij ÉÉN ZIJN, ALS HIJ EN DE VADER ÉÉN ZIJN. (Johannes 17:22). Hij bad dat wij de ervaring van dit één zijn in deze wereld zullen ervaren (Johannes 17:21-23). Dit is niet een eenheid in het begrijpen, maar een eenheid in de geest. Door onze zondige natuur en de beperkingen van ons verstand, dat verwrongen is door de zonde, zullen wij hier op aarde niet alles “oog in oog” kunnen zien – elkaar niet volledig kunnen begrijpen. Dit heeft echter niets te maken met onze geestelijke eenheid. Wij kunnen in ons hart nog steeds één zijn.
Een gebrek aan eenheid komt doordat wij onze eigen wil willen doen en niet de wil van onze Leider. Het heeft niets te maken met onze kennis van zaken of onze leerstellige overtuiging. Het heeft alles te maken met het feit of wij bereid zijn om onze eigen wil aan de kant te zetten en alleen de wil van de Vader te doen.
Jezus gehoorzaamde altijd aan datgene wat Zijn Vader tot Hem sprak. Zijn voedsel was gehoorzaamheid aan Zijn Vaders wil (Johannes 4:34). Jezus was één met de Vader. Wij worden tot deze zelfde eenheid, door Gods genade, opgeroepen.
Jezus overwon altijd het kwade met het goede. Het kwaad had geen macht over Hem omdat Hij altijd geworteld was in het doen van het goede. Zo zal het ook bij ons zijn wanneer wij het Woord gehoorzamen om “het kwade te overwinnen door het goede” (Romeinen 12:21). Wanneer anderen ons haten en ons belasteren, dan kunnen wij hun kwade gedrag weerstaan door goed aan hen te doen. Dit is alleen mogelijk wanneer wij de ware genade van God ontvangen. Dan zullen, zoals Jezus bad, wij beschermd worden tegen de zonden van deze wereld (Johannes 17:15) en hierdoor één zijn met iedereen die op dezelfde wijze zijn weg gaat.
De gemeente die Jezus aan het bouwen is, is een gemeente die genade ontvangen heeft – GODS WARE GENADE – om in eenheid voort te bouwen onder Christus, het Hoofd. Alleen een dergelijke gemeente zal triomferen over de poorten van de hel (Mattheüs 16:18).