Sieraad voor As

geschreven door :   Zac Poonen categorieën :   toewijding aan Christus

Hoofdstuk 0
Invoering

God had een groot en heerlijk plan met de mens toen Hij hem schiep. Voor zover wij weten, werd van alle geschapen wezens alleen de mens geschapen met het vermogen in het leven van God te delen en deelgenoot te worden van de goddelijke natuur. Maar hij kon dit voorrecht alleen genie- ten als hij er vrijwillig voor koos zijn leven te leven met God in het middelpunt.

De twee bomen in de hof van Eden waren symbolisch voor twee levensprincipes. Adam kon of deelhebben aan de boom des levens (die God zelf symboliseerde) en vanuit het goddelijk leven leven, of hij kon de boom der kennis van goed en kwaad verkiezen, en zo zijn eigen zelfleven ontwikkelen en onafhankelijk van God leven. Zoals wij al- lemaal weten, koos hij het laatste. Aangezien wij allen van Adam afstammen, hebben wij allemaal dit overontwikkelde zelfleven.

Maar Gods plan met de mens is niet veranderd toen Adam in zonde viel. De komst van Christus in de wereld had ten doel ons te bevrijden van dit eigen ik-leven dat we geërfd hebben, zodat we opnieuw de gelegenheid krijgen deel te hebben aan de boom des levens. Dit is het over- vloedige leven dat Christus ons aanbiedt.

Jesaja had in hoofdstuk 61:1-3 geprofeteerd dat Christus bij Zijn komst de mensen zou bevrijden van slavernij. De mens is niet alleen gebonden door de duivel, maar ook door zijn zelfleven. Christus is gekomen om ons van beide te bevrijden. Jesaja heeft gezegd dat Christus aan hen die Hij zou bevrijden "schoonheid in plaats van as" zou ge- ven (Statenvertaling: 'sieraad in plaats van as'). As is een


heel passend symbool van het eigen ik, het zelfleven1 - het beeldt de lelijkheid en nutteloosheid ervan uit. Christus biedt aan ons de schoonheid van Zijn eigen leven te geven in plaats van de as. Wat een voorrecht! Toch kennen veel christenen dit niet ten volle.

- Waarom niet?

- Hoe kunnen we het ervaren?

Dat is het onderwerp van dit boekje. We zullen naar vier figuren uit de Bijbel kijken, en ieder van hen heeft ons iets te leren.

Zac Poonen Bangalore, India

1 In dit boekje komt regelmatig het woord 'zelfleven' terug. Hiermee wordt het zelf-gerichte of ik-gerichte leven bedoeld. Het zelf(gerichte) le- ven is altijd uit op de bevrediging van het eigen ik, de vleselijke hartstoch- ten en begeerten. De komst van Christus in deze wereld had ten doel ons te bevrijden van dit zelf(gerichte)leven.

Hoofdstuk 1
De verdorvenheid van het zelfgerichte leven

Wij kunnen de bevrijding van ons zelfleven nooit ervaren voor we iets gezien hebben van de totale verdorvenheid er- van. Laten we naar de oudste zoon in de gelijkenis in Lucas 15 kijken, want hij illustreert beter dan iemand anders in de Bijbel, de volslagen rotheid van het zelfleven.

De jongste zoon in de gelijkenis wordt gewoonlijk als de slechtste van de twee jongens gezien. Maar als we de oud- ste broer wat aandachtiger bekijken, ontdekken we dat hij even slecht was, zo niet erger. Het is waar dat hij niet de- zelfde zonden gedaan heeft als zijn jongste broer. Maar zijn hart was even verdorven en op zichzelf gericht.

De totale ontaarding van de mens

Het menselijk hart is fundamenteel hetzelfde bij ieder mens. Als de Bijbel het menselijk hart beschrijft als "arglistig, meer dan enig ding, ja dodelijk is het" (Jer. 17:9), slaat dat op ieder kind van Adam. De verfijning van de beschaving, gebrek aan gelegenheid om te zondigen en een beschermde opvoeding hebben ons misschien bewaard, zodat we niet in dezelfde grove zonden zijn gevallen als sommige anderen. Maar wij kunnen op grond daarvan onszelf niet als beter beschouwen dan zij. Want als wij dezelfde opvoeding als zij hadden gehad en dezelfde moeilijkheden, zouden we onge- twijfeld dezelfde zonden gedaan hebben. Het is misschien wel heel vernederend om dat te erkennen, maar niettemin is het waar.

Hoe eerder we dit feit erkennen, hoe eerder we de bevrij- ding zullen ervaren. Paulus erkende dat er in zijn vlees geen


goed woonde (Rom. 7:18). Dat was zijn eerste stap naar de vrijheid (Rom. 8:2).

De mensen kijken naar de buitenkant en noemen sommi- gen goed en anderen slecht. Maar God, die het hart aanziet, ziet alle mensen in dezelfde toestand. De Bijbel leert ons de totale verdorvenheid van alle mensen. Kijk bijvoorbeeld naar Romeinen 3:10-12: "Er is niemand rechtvaardig, (en voor het geval we denken dat dit wat overdreven is, staat er vervolgens) ook niet één, er is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, zelfs niet tot één toe." Romeinen 3:10-20 is een samenvatting van de schuld van de hele mensheid - van de niet-religieuze mens èn de religieuze.

In Romeinen 1:18-32 vinden we een beschrijving van de "jongste zoon", de uiterlijk immorele en goddeloze mens. In hoofdstuk 2 zien we een portret van de "oudste zoon"

- de religieuze mens die niettemin evenzeer een zondaar is. Nadat de Heilige Geest deze twee categorieën mensen beschreven heeft, vat Hij de zaak samen door te zeggen dat beide groepen even schuldig zijn. Er is geen verschil tussen de een en de ander.

De mens is inderdaad totaal ontaard en als God niet naar beneden reikt en iets voor hem doet, is er zeker geen hoop voor hem.

Zelfzucht

De oudste zoon (Luk. 15:25-32) kunnen we zien als het type van een christelijke werker. Als de vader in het verhaal een type van God is, is het terecht om de zoon als een kind van God te zien - een christen. En ook nog een actief christen, want we zien hem in de gelijkenis thuiskomen na een dag werken op het land van zijn vader. Hij was niet een


luie jongeman die thuis zat te genieten van zijn vaders rijk- dom. Hij was iemand die hard voor zijn vader werkte, die ogenschijnlijk zijn vader meer liefhad dan zijn jongere broer, want per slot van rekening was hij niet van huis weggegaan en had de rijkdom van zijn vader verspild, zoals de jongste. Ogenschijnlijk was hij meer toegewijd, maar in feite was hij even zelfzuchtig als zijn jongere broer. Het is het beeld van een gelovige, die actief is in het werk van de Heere en ogenschijnlijk heel toegewijd aan God, maar nog steeds op zichzelf gericht.

God heeft deze wereld geschapen en daar gelden be- paalde wetten. Als wij die wetten negeren, lijden we on- getwijfeld verlies en schade. Eén van de wetten die God ingesteld heeft, is dat de aarde om de zon moet draaien. Als de aarde een eigen wil had en op een dag zou besluiten dat ze niet langer om de zon wilde draaien, maar alleen om haar eigen as, dan zouden er geen jaargetijden meer zijn en al gauw zou alle leven op aarde omkomen. De dood zou intreden.

Zo werd ook Adam geschapen om zijn middelpunt in God te hebben. Op de dag dat hij dat middelpunt afwees en verkoos zichzelf als middelpunt te hebben (want dit was wat het inhield toen hij verkoos van de verboden boom te eten) stierf hij, zoals God gezegd had.

En laten we niet vergeten dat hier een les in ligt voor ons. In de mate waarin ons christelijke leven en onze dienst om onszelf draaien, zullen wij geestelijke dood ervaren - on- danks het feit dat we wedergeboren zijn en ondanks ons fundamentalisme. En volkomen onbewust geven we die geestelijke dood ook aan anderen door. We mogen dan een reputatie hebben als goede en ijverige werkers voor de Vader (zoals de oudste zoon), maar verdienen misschien


niettemin het verwijt van de Heere: "Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood". Dit is een tragisch iets en toch helaas mogelijk in christelijk werk. Menig christelijk werker leeft op de reputatie die hij voor zichzelf heeft opgebouwd. Anderen zien tegen hem op en daarom is hij zich er vaak niet van bewust dat God hem in een totaal ander licht ziet. Omdat hij zelf nooit bevrijd is van zijn zelfzucht, zijn ik-gerichtheid, is hij niet in staat anderen te bevrijden - ook al kan hij heel mooi preken of zingen. En daarom ligt er in het verhaal van de oudste zoon voor ons allemaal een waarschuwing.

Herkenning van het kwaad in ons

God laat vaak tijden van druk in ons leven toe om van binnenuit ons corrupte zelfleven naar boven te brengen, zodat we onszelf beginnen te zien zoals we werkelijk zijn. Het is tamelijk gemakkelijk om onszelf als geestelijk te be- schouwen als onze omstandigheden gemakkelijk zijn. Als

Het is tamelijk gemakke- lijk om onszelf als gees- telijk te beschouwen als onze omstandigheden gemakkelijk zijn.

we geen problemen hebben, als niemand ons ergert, als al- les goed gaat en onze mede- werkers vriendelijk zijn, kun- nen we onszelf misleiden wat betreft de werkelijke toestand

van ons hart. Maar wacht maar tot er iemand op ons pad komt die ons irriteert, een buurman of een collega die ons alsmaar ergert, en zie hoe snel het vernisje van geestelijk- heid verdwijnt. Ons zelfleven openbaart zich dan in al zijn afschuwelijkheid.

Dit is wat er met de oudste zoon gebeurd is. Toen zijn jongere broer geëerd werd, werd hij boos. Niemand had ooit gedacht dat deze oudste zoon zich zo chagrijnig kon


gedragen. Hij had altijd zo aardig geleken. Maar hij had nooit eerder zo'n situatie meegemaakt. Nu kwam zijn ware aard aan het licht. Niet de situatie van dat moment maakte hem zo slecht. Nee, die situatie bracht alleen dat wat aldoor al in hem was, aan de oppervlakte. Iemand heeft een keer gezegd dat je nooit een druppel bitter water uit een kopje met zoet water kunt morsen, hoe hard je het ook heen en weer schudt. Dit is zo waar. Als het bittere water uit ons leven en over onze lippen komt, is dat omdat het er aldoor geweest is. Het is niet de irritatie die ons ongeestelijk maakt. Daardoor komt er alleen maar uit wat er in zit. En dus moet het voor ons een reden van diepe dankbaarheid aan God zijn dat Hij zulke situaties in ons leven toelaat, zodat wij het ontaarde van onze eigen natuur zien. Zonder zulke omstan- digheden hadden we misschien nooit beseft dat er een bron van bederf in ons is en dat er in ons vlees geen goed woont en dat we totaal verdorven zijn.

Dit leert ons ook dat jezelf inhouden geen overwinning is. De ene persoon barst uit in woede in een moeilijke situ- atie, terwijl een ander, met wat meer zelfbeheersing, in een soortgelijke situatie alleen van binnen kookt, zonder dat er stoom over zijn lippen ontsnapt! In de ogen van de men- sen heeft die tweede persoon misschien een reputatie van zachtmoedigheid. Maar God, die de harten kent, weet dat beide mannen van binnen kookten en beschouwt hen bei- den als even slecht. Het verschil in hun uiterlijk gedrag was slechts het gevolg van een verschillend temperament en dat maakt voor God geen verschil.

Als jezelf inhouden overwinning zou zijn, dan denk ik dat verkopers, zakenmensen en stewardessen tot de beste christenen gerekend mogen worden. Ongeacht hoeveel


hun klanten van hun geduld vergen, ze blijven steeds uiterst vriendelijk tegen hen, omwille van hun zaak - ook al koken ze van binnen. Nee! Jezelf inhouden is geen overwinning. God wil niet dat we alleen bevrijd en geestelijk lijken, maar dat we het ookwerkelijk zijn. Paulus heeft gezegd: "Niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20). Tot dit punt wil God ons brengen.

We willen nu naar twee aspecten van het zelfleven kij- ken.

In de eerste plaats de houding ervan ten opzichte van God. In de tweede plaats zijn houding ten opzichte van de me-

demens.

We zien deze beide geïllustreerd in het verhaal van de oudste zoon.

I. Het zelfleven in zijn houding ten aanzien van God

Wetticisme

De houding van het zelfleven ten opzichte van God en Zijn dienst wordt gekenmerkt door een geest van wetticis- me. Het ik kan proberen God te dienen. Het kan in zo'n dienst zelfs heel actief zijn, maar het blijft altijd wettisch dienen. Het zoekt voor de dienst die het God biedt een beloning. "Ik heb u al deze jaren gediend", zegt de oudste zoon tegen de vader, "maar mij hebt gij nooit een geiten- bokje gegeven." Al die tijd had hij zijn vader voor een be- loning gediend, maar dat werd nu pas duidelijk. Door dit moment waarop hij onder druk kwam te staan, kwam dit feit aan het licht.


Zo dient het ik God - niet vrijwillig, met vreugde en spontaan, maar in de hoop iets terug te krijgen. Wat terug- verwacht wordt kan best een geestelijke zegen en beloning van God zijn. Maar ook het dienen met zo'n motief is toch nog wettisch en voor God onaanvaardbaar.

De oudste zoon vond zijn vader hard en wreed omdat hij zijn dienst in al die jaren niet beloond had. Hij was net als die man die één talent had gekregen en toen hij verant-

Liefde is de olie die de machinerie van ons le- ven smeert, zodat het niet piept of kraakt.

woording moest afleggen te-

gen zijn meester zei: "Ik heb uw talent goed bewaard (zon- der te proberen er winst mee te behalen), omdat ik bang

was dat u mijn winst op zou eisen, want u bent een streng mens " (Luk. 19:21). Het zelfleven ziet God als veeleisend en moeilijk tevreden te stellen en daarom doet het enorm zijn best om God te dienen en nog veroordeelt het zichzelf dat het niet aan de eisen van zo'n strenge God voldaan heeft.

Dat is niet het soort dienst dat God van ons verwacht. De Bijbel zegt: "God heeft de blijmoedige gever lief" (2 Kor. 9:7). Ook op het punt van dienen verheugt God Zich in iemand die blijmoedig dient, niet met tegenzin of omdat het moèt. Hij heeft liever dat we Hem niet dienen dan met tegenzin. Als iemand om een beloning dient, duurt het maar even of hij beklaagt zich bij God dat hij niet voldoende ze- gen ontvangt. En het wordt nog erger als iemand anders meer gezegend wordt dan hij.

Vergelijken we ooit ons werk en de zegen die we ontvan- gen met dat van anderen? Dit kan alleen maar het gevolg zijn van wettisch dienen. Jezus heeft een gelijkenis verteld over een paar arbeiders die op verschillende tijden van de dag bij een zeker iemand in dienst kwamen. Aan het eind


van de dag gaf de heer ieder van hen een schelling. Die het langst gewerkt hadden, gingen naar de heer toe en be- klaagden zich: "Hoe kunt u ons hetzelfde loon geven als de anderen? Wij verdienen meer." Ze dienden om het loon en toen ze kregen waar ze voor aangenomen waren, klaagden ze dat anderen niet evenveel mochten hebben als zij (Mat. 20:1-16).

Dat is precies wat we bij de oudste zoon zien. "Hoe kunt u dit alles aan mijn jongere broer geven. Ik ben degene die u trouw gediend heeft, niet hij."

Toen de Israëlieten God al mopperend dienden, zond Hij hen in ballingschap, zoals Hij dat voorzegd had: "Omdat gij de HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijk- heid en goedheid des harten vanwege de veelheid van alles, zo zult gij uw vijanden … dienen" (Deut. 28:47,48). Nee, God heeft geen welgevallen aan wettisch dienen.

Christenen die op zichzelf gericht zijn, dienen God vaak om in de ogen van anderen een indruk van geestelijk zijn in stand te houden. Het is geen pure en vurige liefde voor Christus, die hen actief maakt in christelijk werk, maar de vrees dat anderen hen als ongeestelijk zullen beschouwen als ze niets doen. En als zulke mensen een gemakkelijke weg voor zichzelf kiezen, één die hun financieel gewin op- levert, proberen ze heel erg iedereen te overtuigen dat God hen op die weg geleid heeft. Waarom is zo'n zelfrechtvaar- diging nodig, als er niet de heimelijke angst is dat anderen nu misschien een lagere dunk van hun geestelijk leven heb- ben. Wat een moeite en slavernij is zo'n dienen van God!

Wat een vreugde en vrijheid ligt er in een dienst die uit liefde voor Christus voortkomt! Liefde is de olie die de ma- chinerie van ons leven smeert, zodat het niet piept of kraakt. Jakob werkte zeven jaar hard om Rachel te verkrijgen. En de


Bijbel zegt dat die zeven jaren hem maar een paar dagen leken, vanwege zijn liefde voor haar (Gen. 29:20). Zo is het ook met ons als onze dienst voor God uit liefde voortkomt. Dan is het geen inspanning en gezwoeg.

De Bijbel leert dat de relatie van Christus met Zijn ge- meente als die van man en vrouw in het huwelijk is. Wat verwacht een man in de eerste plaats van zijn vrouw? Niet haar dienst. Hij trouwt niet met haar om iemand te hebben die zijn eten kookt en zijn kleren wast als eerste punt. Wat hij in de eerste plaats verlangt is haar liefde. Zonder dat is al het andere waardeloos. Dat zoekt God ook in ons.

Hardleersheid

Een ander kenmerk van het ik-gerichte leven is hardleers- heid. Toen de oudste zoon boos was en niet in huis wilde komen, kwam zijn vader naar buiten en smeekte hem. Maar hij was koppig en weigerde te luisteren.

Het is waar wat er in Prediker 4:13 staat: "Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden." Met degene die denkt dat hij alles weet en daarom niet van anderen wil leren, is het inderdaad droevig gesteld.

Het op zichzelf gerichte individu is zo overtuigd dat hij gelijk heeft, dat hij niet bereid is correctie te aanvaarden. En daarom houdt hij er niet van bekritiseerd te worden. Ons geestelijk zijn wordt waarschijnlijk nooit meer beproefd dan wanneer we tegenstand ondervinden en tegengesproken worden. Dr. A.W. Tozer heeft gezegd dat er maar één ding voor ons van belang is als we bekritiseerd worden en dat is of de kritiek terecht is of niet, niet of de persoon die ons be- kritiseert een vriend of een vijand is. Onze vijanden zeggen ons vaak meer waarheden over onszelf dan onze vrienden.


Het zelfleven vindt het heerlijk om door ande- ren opgemerkt te wor- den.

Een stijfkoppige, halsstarrige houding is een duidelijk kenmerk van de op zichzelf gerichte persoon. En laten we beseffen dat een onbuigzame,

zelfverdedigende houding ten aanzien van onze mede- mensen aangeeft dat we een soortgelijke houding in ons

hart hebben ten opzichte van God. Als we niet bereid zijn onderwezen en terechtgewezen te worden door onze broe- ders en zusters (zelfs door de jongste), laat dat alleen maar zien hoe we opgaan in onszelf, ondanks al onze geestelijke ervaring en Bijbelkennis.

De vader pleit bij de oudste zoon, maar deze is gekwetst en vol zelfmedelijden. De op zichzelf gerichte christen houdt ervan gevleid en gepaaid en aangehaald te worden als een klein kind - zelfs door God. God moet blijven plei- ten bij zulke mensen, maar zij luisteren niet zo makkelijk. Het zou kunnen zijn dat ze zich uiteindelijk voor altijd bui- ten het Vaderhuis bevinden, zoals de oudste zoon.

Ziet u hoe afschuwelijk het hart van de mens is?

II. Het zelfleven in zijn houding ten aanzien van de me- demens

Jaloersheid en liefde voor aanzien

Als onze gemeenschap met God moeizaam is of verbro- ken, heeft dat altijd gevolgen voor onze relatie tot onze me- demens. Toen Adam afgesneden werd van het leven van God, verloor hij onmiddellijk ook zijn liefde voor Eva. Toen God hem vroeg of hij gezondigd had, beschuldigde hij zijn vrouw en zei: "Heere, het is niet mijn fout. Het is de schuld van deze vrouw."


Jaloersheid is één van de kenmerken van het zelfleven in zijn houding tegenover anderen. De oudste zoon in de gelijkenis was jaloers op zijn jongere broer en dat maakte hem boos. Al die jaren was de oudste zoon de onbetwiste erfgenaam in huis geweest. De dienstknechten hadden voor hem gebogen. Maar nu wordt zijn positie bedreigd. Iemand anders is nu het middelpunt van de belangstelling in huis. En dat kan hij niet verdragen. Het monster van de afgunst stak meteen zijn lelijke kop op in zijn hart.

Het zelfleven vindt het heerlijk om door anderen opge- merkt te worden. Het is erg gesteld op de lof van mensen en is duidelijk opgetogen als het het enige voorwerp van bewondering is. Het houdt van de hoogste plaats en ves- tigt voortdurend op de een of andere wijze de aandacht op zichzelf. De op zichzelf gerichte christen zoekt gelegenheid om anderen te vertellen wat hij voor de Heere gedaan heeft

- misschien op een heel vrome manier, maar toch verwacht hij stilletjes hun bewondering. En hij is heel ongelukkig en niet op zijn gemak als iemand anders succes heeft of iets beter doet dan hijzelf.

De op zichzelf gerichte persoon is gauw geïrriteerd en lichtgeraakt. Hij wil graag door anderen erkend worden en geraadpleegd voor zijn mening. Hij is in feite behoorlijk be- ledigd als hij bijvoorbeeld niet geraadpleegd wordt in een commissievergadering. Hij heeft zo'n hoge dunk van zich- zelf dat hij het heerlijk vindt om alsmaar te praten, denkend dat iedereen zijn waardevolle adviezen nodig heeft! Er zijn christenen die zodra zij hun mond open gedaan hebben, het moeilijk vinden hem weer dicht te doen. Ze blijven maar praten en beseffen niet dat iedereen om hen heen er doodziek van is. Een tong die niet onder controle is, is één van de kenmerken van een ongekruisigd zelfleven.


De op zichzelf gerichte christen weet niet hoe hij vrien- delijk en met vreugde de tweede plaats moet innemen als iemand anders het leiderschap krijgt en hijzelf de tweede viool moet spelen. De enige keer dat hij bereid is de tweede plaats in te nemen, is als hij weet dat hij daardoor de eerste plaats krijgt als de leider met pensioen gaat.

Er werd van de Duitse keizer gezegd dat hij overal het middelpunt van de belangstelling wilde zijn. Als hij naar een doopdienst ging, wilde hij graag de baby zijn; als hij naar een bruiloft ging, wou hij dat hij de bruid was, en als hij naar een begrafenis ging, wenste hij dat hij het lijk was! Laten we wel bedenken dat zijn hart niet erger was dan het onze.

Zelfgerichtheid maakt dat men de aandacht van anderen op zichzelf vestigt, zelfs bij de meest christelijke activiteiten

Een tong die niet onder controle is, is één van de kenmerken van een ongekruisigd zelfleven.

- of het nu een preek houden is of het schrijven van een ge- bedsbrief. Als dit gevonden wordt in een christelijke lei- der, hindert dat de geestelijke

groei van degenen die hij dient - want hij trekt de mensen niet naar Christus toe, maar naar zichzelf.

Iemand die jarenlang onder de bediening van Watchman Nee gezeten had, zei dat wat op hem de meeste indruk ge- maakt had, was dat Nee de mensen verder dan zichzelf, naar Christus trok. Dat is wat God van ieder van ons vraagt. Maar hoe weinigen doen dit ook echt.

Het verhinderen van jongere werkers

Een op zichzelf gerichte christelijke leider verhindert an- deren onder hem om leider te worden, zodat zijn eigen po- sitie niet bedreigd wordt. En daarom dient hij op zo'n manier


dat hij zichzelf noodzakelijk maakt voor hen die hij dient. Dit is volledig in strijd met Gods wil. Oswald Chambers heeft eens gezegd dat iemand die zich noodzakelijk maakt voor een andere ziel, Gods orde verlaten heeft. God alleen is de enige absolute noodzaak voor elke menselijke ziel. Dat niemand van ons toch ooit zal proberen om die plaats in te nemen.

Niemand is onmisbaar in de Gemeente van Christus. Gods werk kan gemakkelijk doorgaan zonder ons. Het kan in feite veel beter gedaan worden zonder de hulp van die verwaande mensen die zich als onmisbaar beschouwen! We moeten dit feit voortdurend onderkennen. En daarom moeten we bereid zijn ons op de achtergrond terug te trek- ken, telkens als God dat van ons vraagt. Maar de op zich- zelf gerichte christelijke werker zal dat nooit accepteren. Hij wil zo lang mogelijk zijn positie vasthouden. Veel van zulke "christelijke leiders" rotten op het ogenblik weg op hun "troon" en hinderen het werk van God. Ze weten niet wat het is om stilletjes naar de achtergrond te verdwijnen en iemand anders hun plaats in te laten nemen.

U hebt waarschijnlijk wel eens het gezegde gehoord dat succes zonder opvolger een mislukking betekent. Jezus zag dit en leidde mensen op om Zijn werk voort te zetten. In drieëneenhalf jaar had Hij mensen opgeleid om het leider- schap over te nemen. Paulus zag ook deze noodzaak. In 2 Timotheüs 2:2 zegt hij: "En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe men- sen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren" (tot aan het vierde geslacht dus). Wat Paulus feitelijk zei was: "Vergewis je ervan dat je deze schat doorgeeft aan ande- ren. Verhinder jongere mensen niet die naar voren komen." Mensen in het zakenleven kennen dit principe ook. Maar


vele christelijke leiders kennelijk niet. Het is waar wat Jezus zegt, dat "de kinderen dezer wereld ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk gaan dan de kinde- ren des lichts."

Het is inderdaad niets anders dan zelfgerichtheid, die een mens jaloers maakt op een jonger iemand die de dingen be- ter doet dan hij. Kaïn was jaloers op het feit dat Abel door God aanvaard werd en hij verworpen. Als Abel ouder ge- weest was dan hij, had hij het nog kunnen verdragen. Maar het was het vreselijke feit dat zijn jongere broer beter was dan hij, dat hem zo kwaad maakte dat hij Abel doodsloeg.

We zien hetzelfde in de geschiedenis van Jozef en zijn broers. Jozef kreeg openbaringen van God en dat maakte al zijn tien oudere broers groen van jaloersheid en ze probeer- den hem uit de weg te ruimen.

Koning Saul was jaloers op de jonge David, omdat de vrouwen zongen: "Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden." Van die dag af was hij vastbeslo- ten hem te doden. De geschiedenis van de mens, en helaas ook die van de christelijke gemeente, is vol met zulke ver- halen.

Aan de andere kant zien we een verfrissend contrast in een man als Barnabas in het Nieuwe Testament. Hij was een oudere werker die de pasbekeerde Saulus van Tarsus onder zijn hoede nam, toen niemand Saulus wilde accepte- ren. Barnabas bracht hem naar de gemeente in Antiochië en bemoedigde hem. In Handelingen 13 lezen we dat Barnabas en Paulus samen op zendingsreis gingen. En toen Barnabas zag dat God zijn jongere broeder Paulus voor een grotere bediening riep dan die hij zelf had, deed hij bereidwillig een stap terug en verdween ongemerkt naar de achtergrond. En "Barnabas en Paulus" verandert bijna ongemerkt in "Paulus


We moeten bereid zijn ons op de achtergrond terug te trekken, telkens als God dat van ons vraagt.

en Barnabas". De christelijke gemeente lijdt er vandaag on- der dat er zo weinig zijn als Barnabas, die weten wat het is om terug te treden zodat een ander de eer krijgt. Wij zijn wel bereid om een stap terug te doen in onbelangrijke zaken. Als we door een deur

gaan bijvoorbeeld, vinden we het niet erg een stapje terug te doen en een ander voor te laten gaan. Maar op punten die van wezenlijk belang zijn, zoals positie en leiderschap in

de gemeente, zijn we niet zo bereidwillig om terug te tre- den. Ons zelfleven is zo misleidend. We kunnen een valse nederigheid hebben in zaken die er niet zoveel toe doen. Maar juist op de belangrijke punten zien we onszelf zoals we werkelijk zijn.

Trots

De op zichzelf gerichte mens heeft een hoge dunk van zichzelf. De oudste zoon zei: "Zie, ik dien u nu zovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden." Hij was trots op zijn gehoorzaam dienen van zijn vader. Trots ontstaat niet alleen in ons hart vanwege onze goede eigenschappen en ons suc- ces, maar ook omdat we het gevoel hebben dat anderen om ons heen het niet zo goed gedaan hebben als wij. Trots is altijd het gevolg van een vergelijking van onszelf met ande- ren. Als anderen om ons heen duidelijk beter zouden zijn dan wij, zouden we ons nooit trots voelen. Als er nog een broer in deze gelijkenis zou zijn geweest, die de vader trou- wer had gediend dan de oudste zoon, dan had de laatste zich helemaal niet trots kunnen voelen in diens tegenwoor- digheid. Maar in dit geval kon hij zich vergelijken met zijn


jongere broer en bij hem stak hij gunstig af. "Ik heb u trouw gediend", zegt hij tegen zijn vader, "maar kijk eens naar die jongste zoon van u. Wat heeft hij gedaan? Hij heeft zijn geld verkwist aan de hoeren."

Het was door trots dat Lucifer viel. Hij vergeleek zich met de andere engelen en vond dat hij wijzer was en mooier en meer verheven dan zij allemaal. Hij was de gezalfde cherub, maar hij werd de duivel. Vele anderen hebben sindsdien op dezelfde wijze Gods zalving verloren. U bent misschien als een engel, maar trots kan u in een duivel veranderen.

Dit was de ziekte waar de Farizeeën aan leden. Jezus geeft een nauwkeurig beeld van hen in de gelijkenis waarin de Farizeeër bidt:"O, God ik dank U, dat ik niet ben zoals

Trots kan zich vaak openbaren in een nede- rig uiterlijk.

de andere mensen…Ik vast

tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit."

Zo is het zelfleven. Maar soms kan het subtieler zijn, zoals in het geval van de zondags- schoolonderwijzeres die na het vertellen van deze gelijkenis bad: "Heere, wij danken U dat wij niet als die Farizeeër zijn." Dat is een kwalijker vorm van trots - trots zijn op je nederigheid. Trots kan zich vaak openbaren in zo'n nederig uiterlijk. De op zichzelf gerichte christelijke werker is niet noodzakelijkerwijs iemand die rondloopt met een arrogante houding. Hij toont aan de buitenkant veel valse nederigheid, een vroom, ootmoedig voorkomen en "nederige" woorden. Maar innerlijk vergelijkt hij zich met anderen en glorieert in zijn goedheid en grootheid en "nederigheid".

Veroordeling van anderen

Zo'n vergelijking van jezelf met anderen leidt uiteindelijk tot veroordeling van anderen - soms met scherpe, sarcasti-


sche bewoordingen. Luister naar wat de oudste zoon tegen zijn vader zegt: "Die zoon van u heeft uw bezit opgemaakt met slechte vrouwen." Wie had hem die informatie ver- strekt? Niemand. Hij had alleen het ergste verondersteld. Als je iemand haat, is het gemakkelijk om de ergst mogelijke dingen over hem te geloven. De oudste zoon genoot ervan om de fouten van zijn jongere broer bloot te leggen in plaats van ze te bedekken.

Zien wij alleen de fouten in andere mensen? Hebben we stiekem plezier als we iemand zien struikelen - vooral als het iemand is die we niet graag mogen? Ons hart is zo verdorven, dat wanneer anderen struikelen, het ons hele- maal niet bedroefd maakt, maar we zijn er juist een beetje blij mee, want het maakt dat wij betere mensen lijken. Zo'n houding is kenmerkend voor een op zichzelf gericht per- soon.

Als je iemand haat, is het gemakkelijk om de ergst mogelijke dingen over hem te geloven.

Beoordelen we de motieven van anderen? De zelfzuch- tige persoon ziet iemand iets doen en zegt bij zichzelf: "Ik weet wel waarom hij dat

doet" en gaat dan een vle-

selijk motief aanvoeren voor de daad. Wat is het zelfleven aanmatigend; het gaat zelfs

op de troon van God zitten, want per slot van rekening kan alleen God de motieven van anderen beoordelen. Paulus waarschuwt ons: "Zo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal bren- gen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en als dan zal een iegelijk lof hebben van God ". (1 Kor. 4:5). Pas als de Heere Jezus wederkomt, en niet eerder, zullen we de ware motieven van iedereen weten.


Liefdeloosheid

De op zichzelf gerichte persoon heeft geen enkele echte liefde voor zijn medemens en dit is de verborgen oorzaak van zijn harde houding jegens hem. Hij doet misschien net alsof hij veel liefde betoont, maar het ontbreekt hem aan ware liefde, de liefde van Christus. De oudste zoon was in al die jaren nooit een keer naar zijn vader toegegaan om zich als vrijwilliger aan te bieden om zijn verloren broer op te sporen. Het interesseerde hem niet of zijn broer dood of levend was. Het enige waarin hij geïnteresseerd was, was om met vrienden feest te vieren (vers 29). Zolang hij zelf maar gelukkig was, deed het er niet toe wat er met anderen gebeurde.

Worden wij ook zo door onszelf in beslag genomen? Wat is onze houding ten aanzien van afvallige christenen? Het is makkelijker een ongelovige lief te hebben dan een afval- lige. Maar als we werkelijk bewogen zijn met de ontferming van Christus, hebben we beiden lief. De jongste zoon in dit verhaal is een beeld van een afvallig christen. Het is ge- makkelijk hem te veroordelen. Het is moeilijker om hem lief te hebben en hem te helpen. De Bijbel zegt: "Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt" (Gal. 6:1). En ergens anders: "Indien iemand zijn broeder ziet zondigen, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven." (1 Joh. 5:16). Bidden we ooit zo voor hen die in zonde gevallen zijn? Nee. Waarom niet? Omdat wij zo op onszelf gericht zijn.

Als we een dieper leven zoeken en een wandel dichter bij God, laten we dan nooit vergeten dat een dieper leven ons meer op anderen gericht maakt. God geeft ons niet een


wandel dichter bij Hem alleen maar om ons feest te doen vieren met onze vrienden. Het is zo makkelijk voor ons om in ons eigen kringetje te zitten met hen die op dezelfde ma- nier geloven als wij, en alleen te denken aan onze vreugde daarin en intussen neer te zien op hen die niet die ervaring van een dieper leven hebben. Dat is helemaal niet het die- pere leven. Dat is ik-gerichtheid onder het mom van geeste- lijkheid, en God vindt dat afschuwelijk.

Laten we onszelf niet misleiden. Als we alleen maar ge- interesseerd zijn in feestvieren, met de andere leden van onze "geestelijke kliek", en niet in staat zijn gemeenschap te hebben met gelovigen die de dingen niet precies zo zien als wij, dan bevinden we ons inderdaad in een toestand van geestelijke stagnatie. De Bijbel zegt: "Die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood" (1 Joh. 3:14). Het woord "lief- hebben" in dit vers is een vertaling van het Griekse woord agapan, wat betekent "op prijs stellen", "zorg voelen voor", "trouw zijn aan" en "verrukt zijn over". Dit vers betekent dus dat als we onze broeders en zusters niet op prijs stel- len (zelfs degenen die bij een andere gemeente aangesloten zijn), als we geen zorg voor hen voelen, als we niet trouw aan hen zijn en als we niet erg blij met hen zijn, dan zijn wij, ondanks al onze Bijbelkennis en onze geestelijke erva- ringen, in een toestand van geestelijke dood.

De belangrijkste dienst van de Heilige Geest

We kunnen jong zijn of oud, Calvinist of Arminiaan, met talloze ervaringen en zegeningen om ons op te beroemen, maar het zelfleven sterft moeilijk. Wij moeten weten wat het betekent om dagelijks ons kruis op te nemen en Jezus te volgen, als we een leven van overwinning over het zelfleven willen leiden. Er is geen andere weg. We zullen in de vol-


gende hoofdstukken daar nog uitvoerig bij stilstaan.

Maar laat dit intussen voor ons vaststaan, dat het be- langrijkste werk van de Heilige Geest in ons leven is ons te helpen onze ik-gerichtheid te overwinnen. De Bijbel zegt: "Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest te- gen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet" (Gal. 5:17). Met name in onze da- gen, nu zoveel christenen in verwarring zijn over het werk

Het belangrijkste werk van de Heilige Geest is om ons te helpen de werken van het vlees (het zelfleven) te do- den.

van de Heilige Geest, is het

goed om in gedachten te houden dat Zijn belangrijk- ste werk is om ons te helpen de werken van het vlees (het zelfleven) te doden. Hij doet nog veel andere dingen in ons

en door ons. Laten we geen daarvan minachten. Maar dit is Zijn belangrijkste werk - het zelfleven in de dood te geven - en als we Hem niet toestaan dit werk in ons leven te doen, dan zijn al onze andere ervaringen waardeloos.

De Bijbel zegt : "Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkin- gen des lichaams doodt, zo zult gij leven. Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods." (Rom. 8:13,14). Vers 14 wordt vaak uit zijn verband geciteerd en dan bedoeld als verwijzing naar de leiding van de Geest met het oog op waar we heen moeten gaan of wat we moeten doen. Maar we mogen het niet los zien van het vorige vers. Het verwijst naar de Heilige Geest die ons leidt in het doden van de op onszelf gerichte verlangens. Het vers leert ons ook dat dit het kenmerk is van de zonen Gods.

In de gelijkenis in Lucas 15 zien we dat de liefde van de vader voor zijn beide zonen dezelfde was. Hij had de oud-


ste zoon niet minder lief dan de jongste. Hij kwam zijn huis uit voor beide kinderen. Toen zijn jongste zoon thuiskwam, ging hij naar buiten om hem te verwelkomen, en toen zijn oudste zoon weigerde in huis te komen, ging hij naar buiten om hem ook binnen te nodigen. In feite zegt hij zelf tegen hem: "Zoon, jij bent altijd bij mij en alles wat ik heb is van jou." Ziet u de grootheid van Gods hart zelfs voor mensen die op zichzelf gericht zijn? Hij heeft ons lief en wil ons al- les geven wat Hij bezit. Maar eerst moet Hij ons verlossen van onze ik-gerichtheid.

God heeft de hoer niet meer lief dan de Farizeeër met zijn eigengerechtigheid. Hij heeft beiden in dezelfde mate lief en Hij gaf Zijn Zoon om voor beiden te sterven. Maar de respons in hun hart kan verschillend zijn en dát is wat uiteindelijk het verschil uitmaakt in het huis van de Vader. De jongste zoon, die eerst weg was uit zijn vaders huis, zit nu aan tafel te genieten van zijn vaders rijkdom. De oudste zoon, die al die tijd binnen was geweest, staat nu buiten. Het is waar wat de Heere gezegd heeft, dat velen die nu de eersten zijn, de laatsten zullen zijn in de eeuwigheid en ve- len die hier het laatste zijn, zullen daar het eerst zijn. Alleen als wij gewillig zijn ons te vernederen en onze bedorven natuur erkennen en van harte ingaan op de liefde van de Vader, zullen we in staat zijn met Hem feest te vieren aan Zijn tafel.

Moge de Heere tot onze harten spreken.

Hoofdstuk 2
De weg naar het Christus-leven: Verbrokenheid

Eén van de verzen die duidelijk de weg beschrijven die ons uit het bederf van ons zelfleven voert in de volle schoonheid van het Christus-leven, is Galaten 2:20: "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij." Voor ons is dit misschien

De weg van elke stap van heerlijkheid naar de volgende gaat via het kruis.

alleen maar een goed vers om uit het hoofd te leren of een preek over te houden in drie punten! Maar voor de apos- tel Paulus, die dit geschreven

heeft, was het zijn eigen ervaring. Hij had de as van het zelfleven verruild voor de schoonheid (het hoofdsieraad) van Christus' eigen goddelijke leven. En dit was mogelijk gewor- den doordat hij de dood van zijn zelfleven aanvaard had. Alleen als het "ik" (het zelfleven) gekruisigd is, kan Christus Zich in Zijn heerlijkheid in ons openbaren. In 2 Korinthe 3:18 lezen we dat de Heilige Geest ons verandert naar het beeld van Christus van heerlijkheid tot heerlijkheid. Dag aan dag en jaar na jaar probeert de Geest van God ons in toenemende mate te veranderen naar het beeld van Christus. Maar de weg van elke stap van heerlijkheid naar de volgende gaat via het kruis. Als wij door de Geest ons zelfleven doden, zullen we de overvloed van het leven van

Christus kennen, niet anders.

Wij kunnen nu niet meer zonder meer naar de boom des levens gaan, zoals Adam voor zijn val. In Genesis 3:24


lezen we dat God een flikkerend zwaard voor de boom des levens plaatste. En daarom moeten we door dat flikkerende zwaard dodelijk in ons zelfleven getroffen worden voordat we deel kunnen hebben aan deze boom. Er is geen andere weg tot het leven van God. De weg van het kruis is de enige weg tot de volheid van leven. Deze waarheid wordt in de hele Bijbel, van Genesis tot Openbaring, zowel in duidelijke bewoordingen als in symbolen geleerd. Het kruis breekt ons en ontledigt ons. We zullen deze twee aspecten van het kruis in dit hoofdstuk en in het volgende nader toelichten.

De twee ontmoetingen van Jakob met God

Jakob was een man die door ervaring geleerd had wat het betekende om verbroken te zijn. We kunnen veel van zijn leven leren.

Het is geweldig dat de Bijbel als geen ander boek abso- luut eerlijk is en ook de fouten en gebreken van de grootste mannen vermeldt. De Bijbel laat ons geen modelheiligen zien. We zien mannen en vrouwen in het Woord van God precies zoals ze zijn, met al hun tekortkomingen. Om die reden zijn de biografieën van de Bijbelse personen een gro- tere bemoediging voor ons dan veel hedendaagse biogra- fieën, die zonder uitzondering het falen van de personen die ze beschrijven verbloemen en ze als superheiligen voor- stellen.

Jakob was een mens zoals wij. Hij werd ongetwijfeld door God geroepen en van eeuwigheid voorbestemd een uitverkoren werktuig te zijn om Gods doeleinden uit te wer- ken. Maar hij had een verdorven en bedrieglijk hart, net als wij. God roept gewone mensen in Zijn dienst - geen su- permensen. Heel vaak roept Hij het lage, het verachte, het zwakke van deze wereld om Zijn plannen te vervullen. Hij


heeft geen enkele voorkeur voor menselijke schranderheid en bekwaamheid in Zijn dienst.

Jakob moet vele malen in zijn leven een ontmoeting met God gehad hebben. Maar in Genesis wordt ons verteld van twee opvallende ontmoetingen. De eerste is in Bethel, waar hij droomde van een ladder die tot in de hemel reikte en waar hij zei: "Dit is het huis van God" (Gen. 28:10-22). De tweede is in Pniël, waar hij met God worstelde en waar hij zei: "Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht" (Gen. 32:24-32). Tussen deze twee gebeurtenissen lag twin- tig jaar.

We lezen dat hij in Bethel overnachtte, omdat de zon on- dergegaan was (Gen. 28:11). Deze uitdrukking geeft uiteraard alleen het tijdstip van de dag aan waarop Jakob daar aan- kwam. Maar als we het daaropvolgende verslag van Jakobs leven lezen in de volgende vier hoofdstukken, ontdekken we dat de zon inderdaad ondergegaan was in zijn leven. En gedurende de volgende twintig jaar werd de duisternis steeds dieper. Maar dat is niet het einde van het verhaal. In Pniël ontmoet hij God opnieuw. En dan lezen we dat onmiddellijk na zijn ontmoeting met God, de zon over hem opging en hij verder trok (Gen. 32:31). Opnieuw een geo- grafisch feit, maar ook waar in Jakobs leven. Vanaf die dag was hij een ander mens. De duisternis was geweken en het

licht van God scheen op zijn leven.

God heeft het verhaal van Jakobs duisternis voor ons op- getekend om ons te laten zien dat hij een gewoon mens was. Hij ervoer dezelfde duisternis als wij. Maar hij maakte ook een zonsopgang mee. En dit spoort ons aan te geloven dat wij, ongeacht hoe groot de duisternis van ons zelfleven is, toch de zonsopgang kunnen zien, als wij in Jakobs voet- sporen bij Pniël treden. Daarom willen wij Jakobs leven nu


wat nader beschouwen, eerst toen de zon over hem onder- ging en in de tweede plaats toen de zon over hem opging.

De zon gaat onder

Jakob kwam uit de schoot van zijn moeder terwijl hij de hiel van zijn broer vastgreep. En daarom noemden ze hem Jakob, wat letterlijk hielgrijper betekent (Gen. 25:26). En zo was hij precies. Hij greep altijd iets van een ander voor zichzelf. Hij greep het eerstgeboorterecht van zijn broer en later de zegen van zijn vader. Hij bemachtigde Rachel en nam haar van haar vader Laban weg en later pakte hij ook Labans bezit.

Jakob was ook een pingelaar, een afdinger. Hij marchan- deerde met Ezau over het geboorterecht. En later met Laban over Rachel. En in Bethel zien we hem zelfs met God on- derhandelen.

Ook was Jakob een bedrieger. Toen hij de zegen van zijn vader wilde hebben, schroomde hij niet zijn vader om die reden te bedriegen. Hij durfde zelfs de naam van God te ge- bruiken om zijn leugen kracht bij te zetten. Toen Izak hem vroeg hoe hij het wild zo snel had gevonden, antwoordde hij: "Omdat de HEERE, uw God, dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht" (Gen. 27:20). Hoe gemakkelijk kon hij zelfs zweren en een leugen vertellen! Hij had beslist geen vrees voor God.

Zo was Jakobs natuur - grijper, pingelaar, bedrieger - al- door alleen zijn eigen aardse belangen behartigend. Hij was maar al te duidelijk een kind van Adam.

Jakobs reactie op Gods roeping

Tenslotte ging in Bethel de zon onder over zijn leven. Daar gaf God Jakob in een droom een openbaring van Zijn


grote en heerlijke plan voor zijn leven. Hij gaf Jakob de- zelfde beloften die Hij aan Abraham gegeven had. Maar wat is Jakobs antwoord? Hij zegt eigenlijk: "Heere, ik ben niet zo geïnteresseerd in al die geestelijke zegeningen. Als U me alleen maar beschermt tegen kwaad en gevaar en geeft dat ik genoeg te eten heb en kleren om aan te trekken, dan ben ik al lang blij. Dan geef ik U een tiende van mijn inkomen en erken U als mijn God" (Gen. 28:20-22).

Veel christenen zijn net zo. God roept ze voor iets groots en heerlijks en ze nemen genoegen met iets wat veel min- der is, veel lager. God roept ze om hun energie te geven aan Zijn werk, maar zij verkwisten hun leven met geld verdienen en eer zoeken in deze wereld. Er zijn zo weinig van Gods kinderen die hun hoge roeping verstaan. Charles Haddon Spurgeon was één van die weinigen. Hij spoorde zijn zoon aan: "Ik zou het niet fijn vinden dat als God je voor zende- ling bestemd had, jij aan lager wal raakt en koning of miljo- nair wordt. Wat zijn koningen en edelen vergeleken met de waardigheid van het winnen van zielen voor Christus?"

Gods doel met ons - net als met Jakob - gaat veel verder

Jakob was tevreden met speelgoed, terwijl God wilde dat hij hemelse rijkdommen zou hebben.

dan aardse zegeningen. Zijn doel is in wezen tweeledig: in de eerste plaats dat wij het le- ven van Christus aan anderen laten zien, en in de tweede

plaats dat we dat leven aan anderen bedienen. Er is geen

grotere roeping op aarde.

Toch zien veel christenen, zelfs sommigen die betrokken zijn bij christelijk werk, hier evenmin als Jakob ook maar iets van. God geeft hun een geestelijke gave of bekwaamheid en al gauw worden ze daar zo door in beslag genomen, dat ze van koers veranderen, weg van het centrale plan van God


voor hun leven. De gave wordt als het ware een stuk speel- goed voor ze, waar een kind mee speelt. Het vult hun hele visie en ze zien niets anders meer. Heel slim heeft satan hen op een zijspoor gezet zonder dat ze dit zelfs maar in de gaten hebben!

Jakob kon de grootheid van Gods plan met zijn leven niet bevatten. Hij was tevreden met speelgoed, terwijl God wil- de dat hij hemelse rijkdommen zou hebben. Het gevolg van zo'n beperkte visie was dat Gods plannen met Jakobs leven vertraagd werden. God moest twintig jaar wachten voordat Jakob bereid was om niet langer bedacht te zijn op de din- gen van deze wereld, maar de dingen te zoeken die boven zijn. Wat zijn er veel christenen die Gods heerlijke doel met hun leven belemmeren en vertragen vanwege de beperkt- heid van hun visie, omdat ze in beslag worden genomen door dingen die minder zijn dan het hoogste van God!

Paulus was anders. Hij kon aan het eind van zijn leven zeggen dat hij niet ongehoorzaam was geweest aan de he- melse visie. Op de weg naar Damaskus had God hem een visie gegeven van de belangrijke bediening die Hij voor hem had - om de verblinde ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God door de kracht van het Evangelie (Hand. 26:16-19). En Paulus werd nooit afgeremd door sociaal werk of iets wat minder was dan dat waar God hem toe geroepen had.

Maar zo reageerde Jakob niet toen God tot hem sprak. En zo ging de zon onder in zijn leven en alles werd donkerder en donkerder. Maar het wonderlijke is dat God Jakob niet liet gaan. God had hem in Bethel beloofd: "Ik zal u niet ver- laten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd", en God hield Zijn woord. Dit is een bemoediging voor ons, dat God zo volhardend is met Zijn koppige kinderen.


Goddelijke discipline

Om Zijn beloften aan Jakob te vervullen, moest God hem zwaar tuchtigen. En dus zien we dat vanaf dit moment tot aan de tweede ontmoeting in Pniël, er twintig jaar van god- delijke tuchtiging verstrijken in het leven van Jakob, teneinde hem op het punt te krijgen waarop hij Gods hoogste doel voor zijn leven zou aanvaarden.

Allereerst plaatste God Jakob naast een andere slimmerik. Laban was net zo sluw als Jakob en toen ze samenwoonden en intensief contact met elkaar hadden, ontstond er heel wat wrijving, en iets van Jakobs ruwe kantjes werd er afge- slepen. God weet wie Hij naast ons moet zetten om ons vrij te maken van onze achterbaksheid. God meet Zijn tuchti- gingen af naar onze persoonlijke behoefte en Hij doet alle dingen medewerken ten goede voor ons, zelfs als Hij ons naast iemand als Laban plaatst - vooropgesteld dat we niet in opstand komen tegen Gods voorziening. Veel mensen hebben heiliging geleerd doordat ze huwden met iemand die net zo was als zijzelf. "IJzer scherpt men met ijzer, alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten" (Spr. 27:17). Beide stukken ijzer worden gescherpt!

Jakob begint tenslotte te oogsten wat hij gezaaid had. Heel zijn leven heeft hij anderen bedrogen. Nu wordt hij zelf bedrogen. De huwelijksplechtigheid verloopt uitstekend, maar de volgende morgen ontdekt Jakob, die gedacht had dat hij met Rachel trouwde, dat hij in feite met Lea getrouwd is! Hij had zijns gelijke gevonden in Laban! Hij proeft nu zelf het bittere medicijn dat hij aan anderen had uitgedeeld. God tuchtigt niet zonder doel of zomaar willekeurig. Hij weet welke dosering ieder nodig heeft en geeft precies dat. "Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren…maar bij de verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar" (Ps. 18:26,27).


Hij weet hoe Hij elke Jakob moet aanpakken.

God meet Zijn tuchti- gingen af naar onze per- soonlijke behoefte.

Maar Jakobs problemen waren nog niet voorbij. Na veer- tien jaar hard werken verkreeg hij Rachel en kwam toen tot de ontdekking dat ze on-

vruchtbaar was. God was barmhartig en gaf Jakob uit- eindelijk een kind door haar,

maar zelfs dit brengt geen verandering in Jakob. Hij kan God nog steeds niet vertrouwen, maar blijft eigen plannen beramen.

Zijn volgende plan is Laban van zijn bezit te beroven. Jakob was slim. Hij kende alle trucjes van het vak en wist hoe hij het beste van Labans vee kon krijgen. Hoe lang moest God wel niet wachten voordat Jakob leerde op Hem te vertrouwen en zijn eigen menselijke slimheid op te ge- ven? Het is hetzelfde probleem dat God vandaag met veel van Zijn kinderen heeft. Hij is niet onder de indruk van onze slimheid. Hij wacht tot wij de dwaasheid daarvan in- zien, voor Hij ons kan gebruiken om Zijn wil te volvoeren.

Tenslotte zien we Jakob een list bedenken om van Laban weg te lopen. Hij is het samenwonen met zijn schoonvader beu en wil weg. Maar als hij inderdaad wegloopt, komt hij tot de ontdekking dat hij van de regen in de drup is geko- men. Hij hoort dat Ezau hem met een groot leger nadert en dat Laban hem achtervolgt. Wie aan Gods tuchtiging pro- beert te ontkomen, ontdekt dat dat niet zo gemakkelijk is. Als Jakob de zaak in Gods handen had gelaten, zou God hem op Zijn eigen wijze vrijgemaakt hebben van Laban. Maar Jakob had nog niet geleerd om God te vertrouwen.

Als hij ontdekt dat hij is omsingeld en zijn leven in gevaar is, begint Jakob te bidden. Hij herinnert God gauw aan Zijn belofte die Hij in Bethel gedaan heeft (Gen. 32:9-12). Maar


gebed alleen is niet voldoende voor Jakob. Hij moet zono- dig ook weer een plan beramen. Hij bedenkt een list om in ieder geval een deel van zijn gezelschap te redden - voor het geval dat God hem laat vallen. Precies zoals zovelen van ons praten over God vertrouwen en "leven uit geloof", maar intussen hebben ze aldoor een aardse bron van zekerheid om op terug te vallen, voor het geval dat geloof alleen niet werkt! Jakob lijkt inderdaad wel erg veel op ons.

En hoe vaak komen we tot de ontdekking, net als Jakob bij Ezau, dat onze vrees ongegrond was, dat het helemaal niet nodig was om plannen te smeden en bezorgd te zijn en aan God te twijfelen. Ezau's hart was in Gods hand en God kon het in elke richting draaien die Hij maar wilde. "Als iemands wegen de HEERE behagen, doet Hij zelfs Zijn vijanden vrede met hem maken" (Spr. 16:7). God had Jakob duidelijk gezegd dat Hij voor hem zou zorgen. Maar Jakob kon Gods belofte niet geloven.

Jakob heeft twintig lange en pijnlijke jaren van tuchtiging onder Gods hand gekend. We weten niet alle bijzonder- heden van wat Jakob meegemaakt heeft - maar het moet een heel moeilijke tijd voor hem zijn geweest. Het moet ook lichamelijk zwaar zijn geweest - werken en slapen in de open lucht, blootgesteld aan de zon en de dauw en de regen. Maar al deze tuchtiging was noodzakelijk om Jakobs zelfgenoegzaamheid en zelfvertrouwen te verbreken. Pas in latere jaren, toen hij terugkeek, werd hij zich bewust van waar God hem doorheen had geleid en was hij daar dank- baar voor - maar nu niet. "Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heilig- heid zouden deelachtig worden. En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van


droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreed- zame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn" (Hebr. 12:10,11).

De zon gaat op

We hebben gezien hoe de zon onderging in Jakobs le- ven en hoe de duisternis in de daaropvolgende twintig jaar toenam. Hij was inderdaad een gewoon mens net als wij. En over zo'n man ging op zekere dag de zon op. God ont- moette hem voor de tweede keer en veranderde hem in een "Israël" - een vorst van God.

Alleen God kan iets goeds zien in zo'n waardeloos persoon als Jakob en Hij hield hem geduldig in het oog, zonder de hoop op te geven. Hierin zien we de genade en grootheid van God. En dat is een bemoediging voor ons. Ondanks al ons op onszelf gericht zijn, gooit God ons niet op de schroothoop. Hij heeft geduld met ons.

Ondanks al ons op ons- zelf gericht zijn, gooit God ons niet op de schroothoop.

Wij geloven misschien niet in de leer van de volharding der heiligen, maar we moeten

wel geloven in de volharding van God. "Ik zal u niet ver- laten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd" , was

Zijn belofte aan Jakob te Bethel - en is ook Zijn belofte aan ons. Hoe heerlijk en hoe verootmoedigend is het om de lankmoedigheid van God in Zijn handelwijze met ons op te merken. Als Hij niet zo zou zijn, zou er voor niemand van ons hoop zijn.

In Pniël gaf God Jakob de laatste klap. Hij had Jakob in de afgelopen twintig jaar getuchtigd en hem stukje bij beetje verbroken. Maar nu was de tijd gekomen om het werk met één klap af te maken. Als God dat toen niet gedaan had,


had het nog wel twintig jaar kunnen duren voor de zon over Jakob opging. God weet de juiste tijd om ons zelfleven eens en voorgoed te breken.

Gezegend door God

Toen God Jakob tenslotte verbroken had, toen was hij werkelijk gezegend. Er staat: "En God zegende Jakob al- daar" (Gen. 32:29). Het woord "zegenen" is misschien wel het meest gebruikte woord in de gebeden van christenen. Maar weinigen verstaan de ware betekenis ervan.

Wat is zegen? Wat was de zegen die Jakob kreeg? In vers 28 lezen we: "Want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen en hebt overmocht" Een Engelse verta- ling zegt: "Gij hebt kracht bij God en kracht bij de men- sen". Dit is de zegen die we allen nodig hebben en die zouden we moeten zoeken. Daardoor alleen kan de zon opgaan over ons leven. Niets minder dan dit verlangt God aan Zijn kinderen te geven. Jezus verwees naar deze ze- gen toen Hij Zijn discipelen verzocht in Jeruzalem te blijven wachten op de belofte van de Vader. Hij zei: "Maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt" (Hand. 1:8) - kracht bij God en kracht bij mensen. Jakobs zouden dan veranderd worden in Israëls. Hierdoor ging op de Pinksterdag de zon op over Petrus en over de andere discipelen.

En alleen hierin ligt het antwoord op de verdorvenheid van ons zelfleven. Het is niet een kwestie van hervorming of van goede voornemens en zelfs niet van onze vastbesloten- heid. Het is een kwestie van de Heilige Geest die ons vol- ledig in bezit genomen heeft en ons leven leidt en regeert.

Maar hoe komt de Geest? Altijd via het kruis. Als we ge- kruisigd zijn, dan en dan alleen kan Christus in al Zijn vol-


heid in ons wonen. Toen Jezus gedoopt werd, begraven in het water - waarmee Hij symbolisch de dood voor Zichzelf aanvaardde - kwam de Heilige Geest op Hem (Mat. 3:16). Pas toen Jakob verbroken werd, werd hij gezegend. Golgotha gaat altijd aan Pinksteren vooraf. De rots moet ge- slagen worden voordat het levende water kan stromen. De albasten kruik moet gebroken worden voordat de geur van de olie het huis kan vullen. De Israëlieten moesten door de rivier de Jordaan (die dood en begrafenis symboliseert) voordat ze Kanaän binnen konden gaan (en Kanaän spreekt van leven in de volheid van de Geest). Deze waarheid vin- den we door de hele Bijbel heen.

Het zou gevaarlijk zijn als God een ongebroken mens kracht geeft. Het zou net zoiets zijn als een scherp mes

Als we gekruisigd zijn, dan en dan alleen kan Christus in al Zijn vol- heid in ons wonen.

geven aan een zes maanden

oude baby, of met je vinger zonder behoorlijke isolatie twintig duizend volt elektri- citeit aanraken. God is voor-

zichtig. Hij geeft de kracht van Zijn Geest niet aan degenen in wie het ik nog onverbroken is. En Hij neemt Zijn kracht weg van iemand die ophoudt verbroken te zijn.

Jakob werd nu door God zelf gezegend. Jaren terug had Izak zijn handen op Jakob gelegd om hem te zegenen, toen Jakob hem het wildbraad bracht (Gen. 27:23). Maar dat had geen enkele verandering in Jakob gebracht. De echte zegen kwam in Pniël. En dit is de les die wij ook moeten leren. Geen mens kan ons ooit deze zegen geven. Een mens - zelfs een heilig man als Izak - kan zijn hand op ons hoofd leggen en voor ons bidden. En toch ontvangen wij mis- schien niets. Alleen God kan ons echt kracht geven. Toen Izak zijn handen op Jakobs hoofd legde, ging de zon alleen


maar onder in diens leven. Maar toen God hem zegende, ging de zon op. De kracht is van God en Hij is de enige die die kracht ooit aan ons kan geven.

De Bijbel zegt: "En Hij zegende hem aldaar" (Gen. 32:29)

- daar, waar Jakob aan bepaalde voorwaarden voldeed en op een bepaald punt in zijn leven kwam. Er waren redenen voor dat God Jakob daar in Pniël zegende.

Alleen met God

In de eerste plaats werd Jakob gezegend op de plaats waar hij alleen was met God. Hij stuurde iedereen weg en was alleen (Gen. 32:24). Hedendaagse gelovigen vinden het moeilijk om veel tijd alleen met God door te brengen. De geest van deze jachtige tijd heeft de meesten van ons aan- getast en wij hebben het voortdurend druk en zijn bezig. Het probleem is niet onze aard of onze cultuur. We hebben gewoon onze prioriteiten niet goed gesteld - dat is alles.

Jezus heeft eens gezegd dat het enige dat nodig was voor een gelovige, was om aan Zijn voeten te zitten en naar Hem te luisteren (Luk. 10:42). Maar wij geloven dat niet meer en ondervinden daarom de rampzalige gevolgen van het in de wind slaan van Jezus' woorden. Als we altijd bezig zijn met onze activiteiten en niet weten wat het is om alleen met God te zijn in vasten en gebed, zullen we Gods kracht of zegen vast en zeker niet kennen - Zijn ware kracht bedoel ik, niet de goedkope namaak waar velen prat op gaan.

Verbroken door God

In de tweede plaats werd Jakob gezegend op de plaats waar hij volledig verbroken werd. In Pniël worstelde een Man met Jakob. God had al twintig jaar met Jakob gewor- steld, maar Jakob had zich niet willen overgeven. God had


geprobeerd hem te laten zien hoe alles wat hij ter hand ge- nomen had, misgegaan was, ondanks zijn slimheid en plan- ning. Maar Jakob was nog steeds koppig. Tenslotte sloeg God Jakob op zijn heupgewricht, zodat dat ontwricht werd (vs. 25). Het heupgewricht is het sterkste lichaamsdeel en dat werd door God geslagen.

De sterke punten in ons leven verlangt God aan stuk- ken te slaan. Simon Petrus dacht ooit dat zijn moed zijn sterke punt was, geestelijk. Zelfs al zou iedereen de Heere Jezus verloochenen, hij zou dat nooit doen. En dus moest God hem op dat punt breken. Petrus verloochende Jezus vóór één van de anderen dat deed, en niet maar één keer, maar driemaal, en dat ook nog toen een zwak dienstmeisje hem een vraag stelde! Dat was voldoende om Petrus klein te krijgen. Op lichamelijk vlak was Petrus' sterke punt het vissen. Als er iets was waar hij deskundig in was, was het wel vissen. En dus brak God hem ook op dat punt. Petrus vist de hele nacht en vangt niets. En ook dat gebeurde niet slechts één keer, maar tweemaal (Luk. 5:5; Joh. 21:3). God brak hem op zijn sterkste punten om hem zijn waardeloos- heid te leren.

Er was drieëneenhalf jaar voor nodig om de discipelen

De sterke punten in ons leven verlangt God aan stukken te slaan.

te leren dat ze zonder Christus niets konden doen. En voor sommigen van ons duurt het

zelfs langer. Maar alleen in de mate waarin we de waarheid van die woorden leren, kun-

nen we Gods kracht kennen. Toen Petrus verbrijzeld werd op zijn sterkste punten - toen hij door God op zijn "heup- gewricht" geslagen werd - was hij klaar voor Pinksteren.

Het sterke punt van Mozes was zijn leiderschapsgaven en zijn opleiding aan de beste academies van Egypte. Hij dacht


dat hij wel bevoegd was om de leider van de Israëlieten te zijn (Hand. 7:25). Maar God was het daar niet mee eens, totdat hij veertig jaar later, toen hij verbroken was op zijn sterkste punten, zei: "Heere, ik ben niet de geschikte per- soon voor deze opdracht … ik ben geen goede spreker … stuur alstublieft iemand anders" (Ex. 3:11; 4:10,13). Van toen af kon God hem op machtige wijze gebruiken. God moet wachten tot onze zelfgenoegzaamheid en ons zelfvertrou- wen verbrijzeld zijn en we verbroken zijn, zodat we niet langer hoge gedachten koesteren over onszelf of onze be- kwaamheden. Dan kan Hij Zich zonder reserves aan ons toevertrouwen.

Hongerig naar God

In de derde plaats werd Jakob gezegend op de plaats waar hij eerlijk was en hongerig naar God. "Ik laat U niet gaan", riep hij uit, "tenzij U mij zegent" (vs. 26). Hoe had God twintig jaar lang gewacht om die woorden uit Jakobs mond te horen! Hij die zijn leven doorgebracht had met het naar zich toetrekken van het eerstgeboorterecht, vrouwen, geld en bezittingen, laat dat alles nu los en grijpt zich vast aan God. Dat was het punt waar God al die tijd naartoe gewerkt had in Jakobs leven. Gods hart moet wel heel erg blij zijn geweest toen Jakob tenslotte alle tijdelijke dingen van deze aarde uit het oog verloor en naar God zelf en Zijn zegen dorstte. We lezen in Hosea 12:5 dat hij weende en God smeekte om genade, om een zegen, die nacht in Pniël. Wat was hij die nacht een totaal ander mens, vergeleken met zijn vroegere jaren, toen hij alleen de dingen van deze wereld wilde hebben. Gods handelen met hem droeg uit- eindelijk vrucht!

Voordat God Jakob ten volle zegende, testte Hij hoe ern-


stig Jakob het meende. Hij zei tegen hem: "Laat Mij gaan", waardoor Hij Jakob toetste of hij tevreden was met wat hij gekregen had of dat hij naar meer verlangde. Het was net zoals Elia Elisa testte aan het eind van zijn leven. Elia zei telkens weer: "Laat mij gaan", maar Elisa weigerde achter te blijven, en zo kreeg hij een dubbel deel van Elia's geest (2 Kon. 2). Ook Jezus toetste op dezelfde wijze de twee Emmaüsgangers in Lucas 24:15-31. Toen ze bij hun huis aan- kwamen, deed Jezus alsof Hij verder wilde gaan. Maar de twee discipelen wilden Hem niet laten gaan, en het gevolg was dat ze een zegen ontvingen.

God test ons ook. Hij kan nooit een mens zegenen als die mens zich niet volledig uitstrekt naar het beste van God. We moeten hongeren en dorsten zoals Jakob en zeggen: "Heere, er is meer in het christenleven dan ik tot nu toe ervaren heb. Ik ben niet tevreden. Ik wil Uw hele volheid, wat het ook kost." Als wij op dat punt aangeland zijn, is het maar een klein stapje naar de volle zegen van God.

Merk op dat het bij Pniël in een toestand van zwakte

We overwinnen als God onze eigen kracht en zelfgenoegzaamheid verbrijzeld heeft.

was, nadat zijn heupspier ge- raakt was, dat Jakob zei: "Ik laat U niet gaan, God." God had gemakkelijk bij hem weg kunnen gaan, maar Hij deed

het niet. Want als een mens uiterst zwak is in zichzelf, dan heeft hij de grootste kracht bij God. Zoals de apostel Paulus zei: "En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan


ben ik machtig " (2 Kor. 12:9,10). Gods kracht blijkt pas ten volle in menselijke zwakheid. En zo was het ook met Jakob. Toen hij verslagen was, verbroken en volkomen zwak, zei God tegen hem: "Gij hebt overmocht." Je zou denken dat God zou zeggen: "Zo, nu ben je eindelijk verslagen." Maar nee, Hij zegt: "Je hebt overwonnen. Van nu af aan heb je kracht bij God en mensen". We overwinnen als God onze eigen kracht en zelfgenoegzaamheid verbrijzeld heeft. Zoals het lied zegt: "Neem mij gevangen, Heere, dan ben ik waar- lijk vrij." Dit is de heerlijke paradox van het christenleven.

Als er ooit een toonbeeld van zwakheid is geweest, dan is het wel een man die hulpeloos aan een kruis hangt. Gestompt en geslagen en tenslotte aan het kruis genageld, stierf Christus als een zwak en uitgeput mens. Maar daar werd de kracht van God geopenbaard in de overwinning over de duivel en de verlossing van de mens (Hebr. 2:14; Kol. 2:14,15). "… een gekruisigde Christus, … de kracht Gods", schreef Paulus aan de Korinthiërs. "Doch wij predi- ken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods. Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen." (1 Kor. 1:23,24; 2 Kor. 13:4). De Korinthische christenen dachten abusievelijk dat de gave van tongen het bewijs was dat iemand vervuld was met Gods kracht. En dus moest Paulus hun vergissing corrigeren. Hij zegt in we- zen tegen hen: "Broeders, de kracht van God wordt niet ge- zien in de gave van tongen. Dank God als je die gave hebt. Maar vergis je niet. De kracht van God wordt alleen in en door het kruis geopenbaard. Het is in menselijke zwakheid dat de kracht van God zichtbaar wordt."


Ik herinner me dat ik eens een dienstknecht van de Heere heb horen vertellen hoe God hem het geheim van geeste- lijke kracht liet zien. Hij had Gods aangezicht geruime tijd gezocht voor spectaculaire manifestaties van de Geest en tenslotte vroeg God hem: "Hoe heb je vergeving van je zonden ontvangen?" Hij antwoordde: "Heere, ik zag in dat ik de grootste zondaar op aarde was en smeekte om Uw genade en toen hebt U mij vergeven." "Nou", zei God, "er- ken dan nu dat jij de zwakste mens op aarde bent en je zult Mijn kracht ontvangen." De weg van het kruis is de weg van kracht. In de mate waarin we op die weg wandelen, zullen we Gods kracht in ons leven ervaren, en de mensen zullen door ons leven en onze bediening gezegend worden. Pas als de vijf broden gebroken zijn, en niet eerder, wordt de schare gevoed.

Eerlijk tegenover God

Tenslotte werd Jakob gezegend op de plaats waar hij eer- lijk was tegenover God. God vraagt hem: "Wat is je naam?" Twintig jaar daarvoor, toen zijn vader hem dezelfde vraag gesteld had, had hij gelogen en gezegd: "Ik ben Ezau" (Gen. 27:19). Maar nu is hij eerlijk. Hij zegt: "Heere, ik ben Jakob", of met andere woorden: "Heere, ik ben een hebberig ie- mand, een bedrieger, een sjacheraar." Nu is er echter geen bedrog in Jakob. En dus kon God hem zegenen.

De weg van het kruis is de weg van kracht.

Toen Jezus Nathanaël zag, zei Hij: "Zie, waarlijk een Israëliet - een ware Israël, een

echte vorst van God - in wie geen "Jakob" is, geen bedrog"

(Joh. 1:47). Dit verlangt God ook in ons te zien. Alleen dan kan Hij ons Zijn kracht geven.

God zegende Jakob daar - waar hij eerlijk was, waar hij


niet meer deed alsof, waar hij beleed: "Heere, ik ben een huichelaar. Er is bedrog in mijn leven en valsheid." Ik zeg je dat er echte verbrokenheid voor nodig is om dat uit het diepst van je hart te zeggen. Veel christelijke leiders zeggen zulk soort woorden met valse nederigheid, om de reputatie te krijgen dat ze nederig zijn. Ik heb het hier niet over zulk walgelijk gedrag. Wat ik bedoel is een eerlijkheid die voort- komt uit een waarachtig verbroken en verbrijzeld hart. Dat is kostbaar. Er is zoveel bedrog in ons allemaal. Moge God ons genadig zijn als we net doen alsof we zo heilig zijn, terwijl we het niet zijn. Laten we met ons hele hart oprecht- heid en eerlijkheid en openheid begeren, en dan zal er geen grens zijn aan Gods zegen in ons leven.

De opgaande zon

Jakob werd verbroken en daardoor werd hij Israël. De zon ging eindelijk over zijn leven op. Maar dit betekende niet dat Jakob nu volmaakt was. Er is geen eens-voor-altijd ervaring die volmaaktheid garandeert. God moest hem nog verder disciplineren, want hij moest nog veel leren. In Genesis 33 en 34 lezen we enkele van Jakobs ongehoor- zaamheden en blunders.

Maar de zon was opgegaan over zijn leven en hij was op een nieuw geestelijk niveau gekomen. Het licht moest onge- twijfeld in helderheid toenemen, maar dat zou wel gebeu- ren als de zon steeds hoger aan de hemel kwam te staan, tot hij zijn hoogste middagpositie bereikt had. De Bijbel zegt: " Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. " (Spr. 4:18). Zo was het bij Jakob en zo moet het ook bij ons zijn. Als wij ons onderwerpen aan Gods werking in ons, zoals Jakob uiteindelijk deed, zal het licht van God voortdurend


toenemen in ons leven. En naarmate dat gebeurt, zal de schaduw van ons zelfleven afnemen, totdat uiteindelijk, als de zon recht boven ons hoofd staat (als Christus terugkomt), de schaduwen volledig zullen verdwijnen en Christus alles in allen zal zijn.

Wat was Jakobs getuigenis later over zijn Pniëlervaring? Hij vertelde niet aan iedereen dat hij toen op die dag een "tweede zegen" ontvangen had. Nee. Zijn getuigenis luidde totaal anders. In Hebreeën 11 hebben we een vage aanwij- zing wat Jakobs getuigenis was. Daar lezen we een verslag van sommige daden van grote geloofshelden in het Oude Testament - een pad door de zee maken, sterke muren doen neerstorten, muilen van leeuwen dichtsnoeren, do- den opwekken enzovoort. Ook Jakobs naam komt in deze lijst voor, en wat denkt u dat er van hem vermeld wordt? "Hij heeft aangebeden, leunende op het uiteinde van zijn staf" (vs. 21). Het lijkt nogal uit de toon te vallen, zoiets in zo'n hoofdstuk vol spectaculaire gebeurtenissen! Wat Jakob deed lijkt bepaald geen wonder van geloof. Maar dat was het wel. Het was misschien wel een groter wonder dan de andere wonderen in dit hoofdstuk. De staf was voor Jakob noodzakelijk, omdat zijn heupgewricht ontwricht was in Pniël. Leunend op die staf kon hij onmogelijk het wonder van genade dat God in zijn leven gedaan had vergeten, hoe Hij zijn koppige wil verbroken had, en nu symboliseert het leunen op zijn staf zijn hulpeloosheid, zijn afhankelijkheid van zijn God van moment tot moment. Hij aanbad God nu als een gebroken man. Hij roemde in zijn zwakheid en krachteloosheid - en dat was zijn dagelijks getuigenis. Zo was het ook met de apostel Paulus. En zo is het met alle grote mannen en vrouwen geweest, alle eeuwen door. Ze verheugden zich in hun beperkingen en niet in hun presta-


ties. Wat een les voor trotse, zelfverzekerde christenen van deze tijd!

Tegen het einde van zijn leven zien we Jakob als profeet. Hij profeteert met betrekking tot de toekomst van zijn na- komelingen (Gen. 49). Alleen iemand die onder Gods hand is geweest en zich onderworpen heeft aan de goddelijke

Wat een kracht komt er vrij als een kind van God verbroken wordt in Gods hand!

tuchtigingen is bekwaam om

te profeteren. Jakob had door zijn ervaring geleerd. Hij was geen theoreticus met een di- ploma van een Bijbelschool

op zak. Hij was door diepe beproevingen heengegaan en had zijn diploma in Gods universiteit gekregen. Hij kende de geheime raad van God. Hij was inderdaad een vorst van God. Wat is het iets heerlijks om door God gesnoeid te wor- den! Wat een geweldig resultaat van vruchtbaarheid!

Tenslotte nog een woord van bemoediging dat door de hele Bijbel heenloopt. God noemt Zich: "De God van Abraham, Izak en Jakob" (niet Israël, maar Jakob). Dat is werkelijk wonderbaar! Hij is de God van Jakob. Hij heeft Zijn naam met de naam van Jakob verbonden, de uitbui- ter en bedrieger. Dat is een bemoediging voor ons. Onze God is de God van de verwrongen persoonlijkheid en het moeilijke karakter. Wat een betekenis ligt er in de woorden van de Psalmist: "De God van Jakob is ons een burcht" (Ps. 46:8,12). Hij is niet alleen de Heere der heerscharen, maar ook de God van Jakob. Geprezen zij Zijn naam!

Wat God in ons begonnen is, zal Hij ook afmaken. Zo volmaakt als het werk van de Vader in de schepping was en zo volmaakt als het werk van de Zoon in onze verlossing, zo volmaakt zal het werk van de Heilige Geest in onze hei- ligmaking zijn. God is getrouw. "Hij, die in u een goed werk


begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus" (Fil. 1:6). Hij zal Zijn werk in ons voltooien zoals Hij Zijn werk in Jakob voltooid heeft. Maar wij moeten de- zelfde respons geven als Jakob in Pniël. Als we echter niet met Hem samenwerken, maar Zijn werk in ons verhinderen, zullen we uiteindelijk voor Hem staan met de tragiek van een verspild, vruchteloos leven. God wil dat we vruchtdra- gen, maar Hij dwingt ons niet. Hij wil ons veranderen naar het beeld van Christus, maar Hij zal onze nieuw wil nooit terzijde schuiven.

De weg naar het Christusleven gaat via het kruis - daar moeten we verbroken worden. Wat een krachten komen er vrij als een atoom gesplitst, gebroken wordt! Wat een kracht komt er vrij als een kind van God verbroken wordt in Gods hand!

Moge de Heere ons deze les leren en diep in ons hart schrijven.

Hoofdstuk 3
De weg tot het Christus-leven: Ontledigd worden

De weg van het kruis brengt niet alleen verbrokenheid met zich mee, maar ook ontlediging. "Niet meer mijn ik", zegt Paulus. Hij had zich laten ontledigen van het "ik", zodat Christus in hem zou leven en regeren. Zelfs Jezus ontledigde Zich toen Hij de troon van God verliet en neerdaalde tot de ontzagwekkende diepten van het kruis (Fil. 2:5-8). Het kruis zal in ons leven hetzelfde betekenen als voor Paulus en in zekere zin als voor Jezus.

We willen in dit hoofdstuk naar het leven van Abraham kijken om te zien wat het betekent ontledigd te worden. In Jakobus 2:23 wordt Abraham de vriend van God genoemd. Hij was een type van hen die in het Nieuwtestamentische tijdperk vrienden van God zouden worden genoemd. Jezus zei vlak voordat Hij naar het kruis ging: "Gij zijt Mijn vrien- den, zo gij doet wat Ik u gebiede (zoals Abraham) . Ik heet u niet meer slaven; want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt" (Joh. 15:14,15).

God roept ons in deze nieuwtestamentische tijd om niet slechts Zijn slaven of dienstknechten te zijn, maar Zijn vrienden, die deelhebben aan Zijn verborgen raadsbesluiten en inzicht hebben in de verborgen geheimenissen van Zijn Woord. Abraham was zo'n vriend. God openbaarde Zijn geheimen aan hem (Gen. 18:17-19).

God zegende Abraham op machtige wijze. En we lezen:


"Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham." (Gal. 3:9). Wat was die zegen waarmee God Abraham gezegend had? Gods belofte aan Abraham was: "Ik zal u zegenen" (Gen. 12:2). We hebben in het vo- rige hoofdstuk gezien wat het betekent om door God geze- gend te worden. Maar Gods belofte aan Abraham eindigde niet met "Ik zal u zegenen". Hij ging verder en zei: "… en gij zult tot een zegen zijn." Dat was Gods volle plan voor Abraham en dat is ook Zijn plan voor ons vandaag de dag. Het gaat er niet alleen om dat wij gezegend worden, maar ook dat wij kanalen zijn waardoor die zegen aan anderen doorgegeven wordt. Galaten 3:14 maakt het duidelijk dat de zegen van Abraham voor ons vandaag te maken heeft met de gave van de Heilige Geest. De Heilige Geest is degene die het overvloedige leven van Christus aan ons doorgeeft en daarna datzelfde leven door ons heen doorgeeft aan an- deren.

In Jakobus 2:21-23, waar Abraham Gods vriend genoemd wordt, worden twee gebeurtenissen uit Abrahams leven ge- noemd:

a) dat hij God geloofde toen Hij zei dat hij een zoon zou krijgen (vs. 23 verwijst naar Gen. 15:6).

b) dat hij Izak offerde toen God hem dat vroeg (vs. 21 ver- wijst naar Gen. 22).

Deze twee gebeurtenissen, beschreven in Genesis 15 en 22, worden door Jakobus bij elkaar gezet als hij ernaar ver- wijst dat Abraham de vriend van God genoemd wordt. Deze twee hoofdstukken in Genesis beschrijven twee belangrijke episoden in het leven van Abraham. Bovendien vinden we in deze twee hoofdstukken twee belangrijke woorden, die


hier voor het eerst in de Bijbel voorkomen: in Genesis 15:6 het woord "geloven" en in Genesis 22:5 het woord "aan-

Het gaat er niet alleen om dat wij gezegend worden, maar ook dat wij kanalen zijn waar- door die zegen aan anderen doorgegeven wordt.

bidden". Bijbelgeleerden zeg- gen dat er zoiets als een wet bestaat wat betreft de eerste keer dat een woord in de Bijbel genoemd wordt. Dit betekent eenvoudig dat de eerste keer dat een belangrijk woord in de Bijbel voorkomt,

er een betekenis ligt in de context waarin dat woord voor- komt. Daarom hebben deze twee schriftgedeelten ons veel te zeggen over de ware betekenis van geloof en aanbidding. En dit waren de twee lessen die Abraham te leren had: wat het betekende om God te geloven en wat het betekende om Hem te aanbidden. Beide zijn alleen maar mogelijk als wij het kruis aanvaarden als Gods instrument om onszelf te ontledigen.

God geloven

Abraham moest leren dat vertrouwen op God niet alleen maar verstandelijk geloven betekent, maar ook ontledigd worden van onafhankelijkheid en eigen kracht.

In Genesis 15 (waar het woord "geloven" in vers 6 voor- komt) luidt vers 1: "Na deze dingen …" Het voorgaande hoofdstuk, waar dit woord naar verwijst, geeft aan dat het een tijd van grote overwinning in Abrahams leven was. Met driehonderd achttien ongeoefende dienstknechten was hij opgetrokken en had de legers van vier koningen verslagen. En daarna had hij zich zo edelmoedig voor de koning van Sodom gedragen door elke beloning voor zijn moeite te weigeren. God had hem bij deze beide gelegenheden won-


derlijk geholpen. Nu was het voor Abraham in het uur van zijn overwinning heel gemakkelijk om zich zelfvoldaan te voelen.

Op zo'n tijdstip sprak God tot Abraham en zei hem dat hij een zoon zou krijgen. En dat niet alleen, maar God zei ook dat er door die zoon een nageslacht zou komen, zo talrijk als de sterren. Het leek bijna onmogelijk, maar Abraham geloofde de Heere (Gen. 15:6). Het Hebreeuwse woord dat hier met "geloven" vertaald wordt is "aman", hetzelfde woord dat wij gebruiken aan het eind van een gebed: "amen". Het betekent: "Zo zal het zijn." Toen God Abraham zei dat hij een zoon zou krijgen, antwoordde hij met "amen" en dat betekende in wezen: "Heere, ik weet niet hoe dit zal gebeuren, maar omdat U het gezegd hebt, geloof ik dat het zo zal zijn."

Gods belofte leek moeilijk vervuld te kunnen worden, omdat Sara onvruchtbaar was. Natuurlijk was Abraham zelf nog steeds vruchtbaar, dus er was nog enige hoop. Met an- dere woorden, de belofte was niet helemaal onmogelijk, maar wel moeilijk.

God uit een penibele situatie helpen

Nadat Abraham Gods belofte gehoord had, moet hij haast wel bij zichzelf gezegd hebben: "Ik veronderstel dat ik God uit deze penibele situatie moet helpen, aangezien Sara onvruchtbaar is." En dus accepteerde hij meteen het voorstel van Sara om bij Hagar, de slavin, een kind te ver- wekken. Hij verlangde oprecht om God te helpen. Hij dacht dat God in een lastig parket zat, omdat Hij een belofte ge- daan had die Hij, menselijk gesproken, niet kon vervullen. Gods reputatie stond op het spel. En om God dus uit deze lastige situatie te redden, nam Abraham Hagar en verwekte


Ismaël. Maar God verwierp dat zaad van Abraham als on- aanvaardbaar, want het was het product van de inspanning van de mens.

Veel motivatie voor christelijk werk komt in onze tijd voort uit dezelfde vleselijke redenering als die van Abraham. Men vertelt de gelovigen dat God van hun inspanning af- hankelijk is en dat Gods doel niet bereikt kan worden als zij Hem in de steek laten. Kennelijk is het niet zo gegaan als God gepland had en om die reden zit Hij nu in een lastig parket! Sommige aansporingen tot christelijk werk geven ons de indruk dat de Almachtige nu ten einde raad is en wanho- pig om hulp verlegen.

Zonder twijfel gebruikt God mensen om Zijn voornemen uit te werken. Hij heeft deze beperking vrijwillig aanvaard,

De dag dat alles door vuur beproefd zal worden, zal talloze "Ismaëls" aan het licht brengen.

omdat Hij ons het voorrecht wil geven Zijn medewerkers te zijn in het werk. Maar dat betekent zeker niet dat Zijn werk ongedaan blijft als wij God ongehoorzaam zijn.

Nee, Hij is soeverein. Er is zeker werk voor Jezus dat wij kunnen doen, maar als wij het niet doen, passeert Hij ons en vindt wel iemand anders die het doet. Maar wij missen dan het voorrecht om Gods medewerkers te zijn. Nietige mensen kunnen God niet verhinderen om Zijn programma uit te voeren.

God kan Zijn werk heel goed doen zonder onze hulp. We moeten dat feit erkennen. Als onze dienst voor God voortkomt uit een idee dat we God uit een netelige posi- tie helpen, brengen we alleen maar Ismaëls voort, die voor God onaanvaardbaar zijn. Die dienst die zijn wortels heeft in menselijke energie en vleselijke wijsheid en in mense-


lijke bekwaamheid en natuurlijke talenten (zelfs op hun al- lerbest) is totaal onaanvaardbaar voor God. Ismaël is dan misschien heel mooi en indrukwekkend, en Abraham kan wel tot God roepen: "Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!" (Gen. 17:18). Maar Gods antwoord is: "Nee. Hij werd geboren door jouw kracht, Abraham. Dus kan Ik hem niet aanvaarden, hoe goed hij ook mag zijn."

En zo is het ook met elk dienen dat uit onszelf voort- komt. Als er een menselijke verklaring is voor ons christelijk dienen - als het slechts het resultaat is van een uitstekende theologische opleiding die ons scherpe verstand in zich op- genomen heeft, of mogelijk gemaakt doordat we over vol- doende geld beschikken in ons christelijk werk - dan, on- geacht hoe indrukwekkend ons werk mag lijken in de ogen van de mensen, zal het op de dag dat alles door het vuur beproefd wordt, als hout, hooi of stro verbranden. Die dag zal talloze "Ismaëls" aan het licht brengen, verwekt door goedbedoelende christenen die nooit ontledigd zijn van hun onafhankelijke eigen kunnen. Het enige werk dat tot in eeuwigheid blijft, is dat wat voortkomt uit een ootmoe- dige afhankelijkheid van de kracht van Gods Heilige Geest. Moge God ons helpen die les nu te leren, in plaats van spijt te hebben voor de rechterstoel van Christus.

Werken van geloof

Ons zelfleven is zo subtiel en misleidend, dat het zelfs het heiligdom van God kan binnengaan om te proberen Hem te dienen. We moeten daarvoor op onze hoede zijn en het zelfleven in de dood geven, zelfs als het probeert God te dienen.

Gods werk moet een werk van geloof zijn - dat wil zeg- gen een werk dat voortkomt uit de hulpeloze afhankelijk-


heid van de mens van God. Het is daarom geen kwestie van hoe effectief ons werk in de ogen van de mensen of in onze eigen ogen is. De belangrijke vraag is of het werk het resultaat is van het werk van de Heilige Geest of van ons- zelf. God is niet zozeer geïnteresseerd in hoeveel er gedaan wordt, als wel in de vraag waar de kracht om het werk te doen vandaan kwam. Was het werk gedaan door de kracht van geld en intellectuele bekwaamheid of door de kracht van de Heilige Geest? Dit is de ware test van een geestelijk werk, van een werk van geloof. Met andere woorden, God is meer geïnteresseerd in kwaliteit dan in kwantiteit. Gods ware werk gaat vandaag door, evenals vroeger, niet door menselijke kracht of geweld, maar door de kracht van de Heilige Geest (Zach. 4:6). Het is heel gevaarlijk als we deze waarheid vergeten.

De uiterste nood van de mens - Gods gelegenheid

Anders dan Ismaël was Izak niet het product van Abrahams kracht, want Abraham was toen al onvruchtbaar geworden. Izak werd geboren doordat God kracht verleen- de aan de impotente Abraham. Dit is de soort dienst die tot in eeuwigheid duurt. Eén "Izak" is meer waard dan duizend "Ismaëls". Alle "Ismaëls" worden uiteindelijk "weggejaagd" (Gen. 21:10-14). Abraham kon Ismaël een aantal jaren hou- den, maar uiteindelijk vroeg God hem om zijn zoon weg te jagen. Alleen Izak kon bij hem blijven. Hierin ligt een gees- telijke les. Die dienst die een gevolg is van God die door ons heen werkt, zal blijven bestaan tot in eeuwigheid. Al het andere zal worden verbrand. Alleen wat Christus door mij heen doet is blijvend. Paulus leefde en werkte doordat God in hem woonde en door hem heen werkte (Gal. 2:20 en Col. 1:29). Vandaar dat zijn leven en werk zo vruchtbaar


waren. Hij leefde door geloof en hij werkte door geloof.

In Genesis 16:16 lezen we dat Abraham zesentachtig jaar was toen Hagar Ismaël kreeg. Meteen in het volgende vers (17:1) lezen we dat Abraham negenennegentig jaar was toen God opnieuw aan hem verscheen. We zien hier een tussen- poos van dertien jaar. Dat waren jaren waarin God wachtte tot Abraham impotent zou worden. God kon Zijn belofte niet vervullen voordat Abraham impotent geworden was. Zo werkt God in al Zijn dienstknechten. Hij kan geen werk door hen heen doen voordat ze hun onmacht inzien. En in sommige gevallen moet Hij jaren wachten.

Abraham moest leren wat het werkelijk betekende om

God is meer geïnteres- seerd in kwaliteit dan in kwantiteit.

God te vertrouwen. Hij moest leren dat hij pas echt het ge- loof kon beoefenen toen hij

impotent was geworden. In Romeinen 4:19-21 lezen we dat Abraham, hoewel hij wist

dat zijn lichaam impotent was om een zoon te verwekken (zijn lichaam was "verstorven"), zich daarover geen zorgen maakte. "Hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen." Hij heeft niet getwijfeld door ongeloof, want zijn voeten stonden vast op de rots van Gods woord. Maar wanneer kon Abraham zulk geloof beoefenen? Pas toen hij aan het einde was gekomen van alle vertrouwen in zijn eigen kunnen. Ook wij kunnen pas echt geloof beoefenen als wij die toestand van volslagen hulpeloosheid hebben bereikt. Dat is Gods wijze van han- delen, zodat geen vlees ooit zal roemen in Zijn tegenwoor- digheid.

Dat betekent echter niet dat wij niets doen. Nee. God wil niet dat we afglijden naar een toestand van inactiviteit.


Dat is het andere uiterste en evenzeer fout. God gebruikte Abraham om Izak te verwekken. God deed het niet hele- maal alleen, want Izak werd niet geboren zonder Abraham, door een maagdelijke geboorte. Nee. Maar er was verschil tussen de geboorte van Ismaël en die van Izak. In beide gevallen was Abraham de vader. Maar in het eerste geval steunde hij op zijn eigen kracht; in het tweede steunde hij op de kracht van God. Dat was het verschil - en wat een wezenlijk verschil!

Geen vertrouwen in het vlees

Aan het eind van dertien jaar wachten, toen God aan Abraham verscheen, gaf Hij hem het verbond van de besnij- denis (Gen. 17:11). Besnijdenis hield in dat er menselijk vlees werd afgesneden en weggeworpen. Het symboliseerde het verwerpen van alle vertrouwen in het vlees, in het zelfleven. In Filippenzen 3:3 legt Paulus uit wat besnijdenis betekent. Hij zegt daar:"Wij zijn de besnijdenis … die niet op het vlees vertrouwen."

Merk op dat in precies hetzelfde jaar dat Abraham God gehoorzaamde en zichzelf besneed, Izak verwekt werd (vgl. Gen. 17:1 en 21:5). Hierin ligt een les voor ons. God wacht tot wij leren niet langer vertrouwen te stellen in onszelf en ons eigen kunnen. En als wij tenslotte zover komen dat we beseffen dat het onmogelijk is in eigen kracht God te dienen en Hem te behagen (Rom. 8:8) en als we God vertrouwen dat Hij door ons zal werken, dan neemt Hij ons in Zijn han- den en doet een eeuwig werk door ons. Op vijventachtig- jarige leeftijd leek de geboorte van een kind moeilijk voor Abraham. Tegen de tijd dat hij negenennegentig was en impotent, was dat wat eerst moeilijk was, onmogelijk ge- worden. Toen deed God het. Iemand heeft eens gezegd dat


er in een echt werk van God drie stadia zijn - moeilijk, on- mogelijk en gedaan! Het is voor menselijke wijsheid moei- lijk om zo'n redenatie te volgen, want geestelijke waarheid is dwaasheid voor het natuurlijk denken. Maar zo is Gods weg.

Geen vlees zal ooit kunnen roemen in de tegenwoor- digheid van God, nu niet en in de eeuwigheid niet. God werkt naar het punt toe waar Christus uiteindelijk in alles de eerste geworden is (Kol. 1:18). Als er in de hemel een werk wordt aangetroffen dat eeuwig blijft, en dat verricht werd door menselijk vernuft en schranderheid, dan zou de hele eeuwigheid door een mens daarvoor de lof krijgen. Maar God zorgt ervoor dat dat niet gebeurt. Alles wat dient tot eer en roem voor de mens, wordt verbrand voor de rech- terstoel van Christus. Hier op aarde kunnen mensen de eer krijgen voor iets wat ze gedaan hebben, maar dan blijft er niets anders van over dan as, nog voordat wij de eeuwig- heid ingaan. Eén dezer dagen zal God alles samenvatten in Christus en dan zal alle eeuwigheden door Christus de eerste zijn.

Gekruisigd worden

Het zelfleven moet ge- kruisigd worden, voor- dat er sprake kan zijn van een dienen dat God behaagt.

Jessie Penn-Lewis was een grote vrouw van God, en haar boeken hebben veel christenen tot een dieper verstaan van het kruis in het leven van de

gelovige gebracht. In haar bio- grafie lezen we dat er een tijd in haar leven was dat ze, na een aantal jaren in de dienst van God, op het punt kwam

dat het resultaat van haar werk haar niet meer bevredigde. Ze was wedergeboren, maar ze besefte dat ze ook met de


Heilige Geest vervuld moest worden. En dus zocht ze ern- stig Gods aangezicht hiervoor. Op zekere dag, toen ze in gebed was, zag ze in een visioen een hand die een bundel- tje vuile lompen vasthield. Een stem zei: "Dit is het resultaat van al je dienen voor Mij tot nu toe." Ze was verbaasd. Zij was toch wedergeboren en een toegewijd kind van God. Dit kon toch niet een beeld van haar werk zijn! Maar de Heere liet haar zien dat het haar zelfleven was dat ze aan de Heere toegewijd had, en dat zelfleven kan alleen maar vuile lompen voortbrengen. En toen sprak de Heere tot haar dat ze gekruisigd moest worden. Dat was aanvankelijk moeilijk voor haar te aanvaarden, maar ze deed het. En als gevolg daarvan begonnen stromen van levend water uit haar leven te vloeien, die voor duizenden over heel de wereld zegen en verfrissing brachten. Zij erfde de zegen van Abraham en mensen uit vele volken werden door haar gezegend.

Het zelfleven moet gekruisigd worden, voordat er sprake kan zijn van een dienen dat God behaagt. Wij kunnen God met ons hele hart dienen en dan zeggen: "Heere, aanvaard alstublieft deze Ismaëls die ik voortgebracht heb." Maar God zal zeggen: "Nee!" Hij zegt nu: " Nee!" en ook in de eeu- wigheid: "Nee!"

Afhankelijkheid van de Heilige Geest

Laten we onszelf op één terrein onderzoeken: het terrein van gebed. Weten we echt wat het is om te bidden wat de Bijbel noemt "het gebed des geloofs"? Alleen als wij aan het eind van onszelf zijn gekomen, kunnen we dat. Want gebed is gewoon onze hulpeloosheid aan God belijden. Er schuilt geen enkele verdienste in het uitspreken van prach- tige, welluidende en indrukwekkende gebeden. Zulk bidden kan iedereen, zelfs een heiden. Maar het gebed des geloofs


kan alleen hij bidden die zijn onmacht en volslagen hulpe- loosheid zonder God heeft ingezien. Dat is het wat "bidden in de Geest" betekent (Ef. 6:18) en dat is de enige soort van gebed die een antwoord krijgt. Zoals iemand zei: "Wat wij in onze tijd nodig hebben is niet meer gebed, maar meer beantwoord gebed." Laten we onszelf niet voor de gek hou- den zoals de heidenen, en denken dat God blij is als wij veel bidden. Nee. Gebed heeft geen waarde voor God als het niet voortkomt uit een erkenning van onze eigen on- macht.

Zo weinig christelijk evangelisatiewerk is in onze tijd nog een geloofswerk. We hebben zoveel elektronische appara- tuur en andere, soortgelijke hulpmiddelen om ons in onze dienst voor de Heere te helpen, dat velen van ons, volko- men onbewust, daarvan afhankelijk zijn geworden in plaats van van de Heere. Klaarblijkelijk is het tegenwoordig om de Heere te dienen niet nodig om vervuld te zijn met de Heilige Geest. Alles wat je nodig hebt is een cassetterecor- der, filmapparatuur met een paar christelijke films, audiovi- suele hulpmiddelen en nog een paar rijke zakenlieden voor de financiële steun. Als je dan ook nog een dynamische persoonlijkheid bent en welbespraakt of je hebt een goede zangstem, dan kun je eropuit trekken en "zielen winnen voor Christus". Wat is het christendom ver afgeweken van het geloof van de apostelen! Wat tragisch dat de technieken van de zakenwereld binnengebracht zijn in het heiligdom van God! Laten we ons nooit voor de gek laten houden door het schijnbare succes van deze methoden. We kun- nen statistieken bijhouden van onze "bekeerlingen", maar we zullen in de eeuwigheid beseffen dat het schijnresultaten waren. De hemel verheugt zich niet over onze inspannin- gen, omdat we geen zielen bevrijd hebben van hun zelf-


zucht, maar ze alleen maar prettig beziggehouden hebben. Gods methode is niet veranderd. Zelfs vandaag is het no- dig dat wij ontledigd worden van onze zelfingenomenheid en onafhankelijkheid en vervuld met de Geest van God, als

Wat wij in onze tijd no- dig hebben is niet meer gebed, maar meer be- antwoord gebed.

wij "Izaks" willen verwekken die God behagen. De Bijbel zegt:

"Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt"

(Jer.

17:5). Het is iemand die zijn zelfvertrouwen maakt tot de arm waarop hij leunt. Hoezeer zo iemand bij anderen ook de indruk wekt dat hij veel vrucht draagt, in de eeuwig- heid zal hij staan als een kale struik (vs. 6), want zijn werk vond zijn oorsprong in hemzelf en in de afhankelijkheid van menselijke energie en menselijke hulpbronnen. Maar aan de andere kant staat er in hetzelfde hoofdstuk: "Gezegend daarentegen is de man, die op de HEERE vertrouwt en wiens Vertrouwen de HEERE is, want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is en zijn wortels uitschiet aan de ri- vier….zijn loof blijft groen…..en houdt niet op van vrucht te dragen." (Jer. 17:7,8). Om het beeld te veranderen naar dat van 1 Korinthiërs 3:10-15: Wat bouwen we? Hout, hooi en stro, of goud, zilver en edelgesteente? Eén ons goud is meer waard dan een ton stro, nadat het vuur zijn werk gedaan heeft. Alleen echte werken van geloof zullen blijven in die dag die met vuur verschijnt.

Aan het eind van onszelf

In het boek "L'Abri" van Edith Schaeffer vertelt ze hoe God haar man Francis Schaeffer en zijn medewerkers tel- kens weer tot een punt van volkomen hulpeloosheid bracht. Meer dan eens ontdekten ze dat er geen uitweg uit de im-


passe was. De vijanden van het Evangelie behaalden bijna op elk punt de overwinning. In hun machteloosheid zagen ze op God, dat Hij voor hen zou werken. En dat deed Hij, niet slechts één- of tweemaal, maar herhaaldelijk. Dit is het soort werk - een geloofswerk - dat tot in eeuwigheid blijft. Niet de omvang van een werk maakt indruk bij God. De wereld wil omvang en aantallen. Maar God verlangt werken

van geloof - ook al zijn ze niet groter dan mosterdzaadjes.

En daarom moeten we juist moed vatten als God ons aan het einde van ons eigen kunnen brengt, ons aan alle kanten doet vastlopen en al onze hoop in rook doet vergaan! Hij maakt ons klaar voor grotere bruikbaarheid door ons eerst op de plaats van onmacht te brengen. Hij rust ons toe om Izaks voort te brengen.

Op dezelfde wijze heeft Jezus Zijn apostelen voorbereid voor Zijn dienst. Wat was het doel waartoe Hij hen drieën- eenhalf jaar opleidde? Zij leerden niet om wetenschappe- lijke verhandelingen te schrijven, die hun een doctorstitel in de theologie zouden opleveren. Sommige mensen vandaag de dag denken dat ze dan pas geschikt zijn om de Heere te dienen. Maar Jezus leidde Zijn discipelen daar niet voor op. Niemand van de twaalf discipelen (misschien met uitzon- dering van Judas Iskariot) zou geslaagd zijn voor de laagste theologische graad (naar onze maatstaven), zelfs al zouden ze het geprobeerd hebben. Jezus leidde hen voornamelijk op om één les te leren en dat is dat ze zonder Hem niets konden doen (Joh. 15:5). En ik zeg je dat een man die dat geleerd heeft, meer waard is dan honderd theologische pro- fessoren die die les niet geleerd hebben.

Totale afhankelijkheid van God is hèt kenmerk van de ware dienstknecht van God. Dat was zelfs zo bij de Heere Jezus Christus, toen Hij op aarde was als de Knecht des


Heeren. In een profetische verwijzing naar Hem in Jesaja 42:1 zegt God: "Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun." Hij

Totale afhankelijkheid van God is hèt kenmerk van de ware dienst- knecht van God.

staat niet in Zijn eigen kracht;

Hij wordt ondersteund door God. Omdat Christus Zichzelf zo ontledigd heeft, heeft God Zijn Geest op Hem gelegd,

zoals het vers verdergaat: "Ik heb Mijn Geest op Hem ge- legd." Ja, alleen op hen die aan het eind van zichzelf ge- komen zijn en die zich ontledigd hebben van alle zelfver- trouwen en zelfbekwaamheid, stort God Zijn Geest uit. Kijk eens naar enkele opmerkelijke uitspraken die Jezus gedaan heeft, die duidelijk aantonen hoe ontledigd Hij was van Zichzelf.

"De Zoon kan niets van Zichzelf doen" (Joh. 5:19).

"Ik kan van Mijzelf niets doen" (Joh. 5:30).

" … en niets uit Mijzelf doe" (Joh. 8:28).

"Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken zal" (Joh. 12:49).

"De woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelf niet" (Joh. 14:10).

Hoe bestaat het! De volmaakte, zondeloze Zoon van God leefde door geloof. Ontledigd van elk steunen op Zichzelf, was Hij volkomen afhankelijk van Zijn Vader. God roept ook ons om zo te leven. Als we het zelf wel kunnen,


proberen we God te gebruiken om ons te helpen Hem te dienen. Maar als wij ontledigd zijn, kan God ons gebruiken. Dit was de eerste les die Abraham moest leren.

God aanbidden

De tweede les die Abraham moest leren, was de ware betekenis van aanbidding. Als vertrouwen op God betekent dat we ontledigd worden van zelfvertrouwen en onafhanke- lijkheid, dan betekent het aanbidden van God dat we ontle- digd worden van alles, met inbegrip van onze bezittingen. Evenals Genesis 15 begint ook Genesis 22 met de woor- den "En het geschiedde na deze dingen …" Als we naar de omstandigheden kijken die onmiddellijk voorafgaan aan de geloofsbeproeving, zien we ook hier dat Abraham zich in een positie van overwinning bevindt. De heidenen waren bij hem gekomen en hadden tegen hem gezegd: "Abraham, wij hebben uw leven gezien en we weten dat God met u is in alles wat u doet" (Gen. 21:22). Ongetwijfeld hadden ze gehoord van de wonderbaarlijke wijze waarop Sara zwan- ger geworden was en waren overtuigd dat God met dit ge- zin was. Nu Ismaël weggezonden was, was Izak de lieveling van Abrahams hart. Abraham verkeerde in ernstig gevaar dat hij zijn eerste liefde en toewijding aan God zou verza- ken. En daarom beproefde God hem opnieuw en zei hem dat hij Izak als offerande moest offeren.

Offerande en aanbidding

Heeft God ons ooit zoiets moeilijks gevraagd? Of ho- ren we Hem alleen maar als Hij ons troost met beloften? Oswald Chambers heeft gezegd dat als we God nooit een hard woord tegen ons hebben horen spreken, het te betwij- felen valt of we God ooit echt hebben horen spreken. Het is


heel gemakkelijk voor ons vleselijk denken zich in te beel- den dat God alsmaar tot ons spreekt met troostende belof- ten. Omdat we de moeilijkheden liever niet willen, kunnen we doof zijn voor Gods stem als Hij ons tot iets moeilijks roept.

Maar Abraham had een oor om te horen en een hart dat bereid was alles wat God hem beval te gehoorzamen. Hij stond de volgende morgen vroeg op en ging op reis om God te gehoorzamen (vs. 3). De geschiedenis vermeldt niet waar de oude aartsvader doorheen gegaan is in de nacht daarvoor, nadat God tot hem gesproken had. Ik ben er zeker van dat hij die nacht geen oog heeft dichtgedaan. Misschien ging hij wel telkens uit bed om naar zijn geliefde zoon te kij- ken en de tranen rolden dan over zijn wangen als hij eraan dacht wat hem te doen stond. Hoe moeilijk moet het voor Abraham geweest zijn de zoon van zijn ouderdom op te offeren. Maar hij was bereid God tegen elke prijs te gehoor- zamen. Zo'n vijftig jaar daarvoor had hij zijn hand aan de ploeg geslagen, toen God hem in Ur geroepen had, en hij wilde nu niet terugkijken.

Er waren geen klaagzangen en geen vragen. Abraham zei niet: "Heere, ik ben al zo trouw geweest. Waarom vraagt U mij dit moeilijke?" En hij heeft ook niet gezegd: "Heere, ik heb al zoveel geofferd - veel meer dan alle anderen in mijn omgeving. Waarom vraagt U me nog meer op te offeren?" Vaak vergelijken we de offers die we gebracht hebben met die die anderen gebracht hebben. En we aarzelen als God ons vraagt verder te gaan dan anderen om ons heen. Maar Abraham niet. Zijn gehoorzaamheid kende geen grenzen en er was geen einde aan zijn bereidheid om zijn God of- fers te brengen. Geen wonder dat hij de vriend van God geworden is.


Als we God nooit een hard woord tegen ons hebben horen spreken, valt het te betwijfelen of we God ooit echt hebben horen spreken.

Er was geloof in Abrahams hart, toen hij opging om Izak te offeren, dat God op de één of andere wijze zijn zoon uit de doden zou opwekken. Hebreeën 11:19 vertelt ons dat. God had Abraham al een

voorsmaak van opstandings- kracht gegeven in zijn eigen lichaam en dat van Sara, door de geboorte van Izak. Het zou vast en zeker geen enkel pro- bleem voor zo'n God zijn om

een Izak die op het altaar geslacht was, uit de dood terug te brengen. En daarom zegt Abraham tegen zijn dienaren, als hij hen achterlaat aan de voet van de berg Moria: "Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heen- gaan; als we aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren" (vs. 5). Dat was een woord van geloof. Hij geloofde dat Izak met hem mee terug zou komen.

Hebt u opgemerkt dat hij tegen zijn knechten zegt: "Wanneer wij hebben aangebeden …"? Hij klaagt niet dat God teveel van hem vraagt, en hij pocht ook niet over het geweldige offer dat hij God gaat brengen. Nee, Abraham hoorde niet bij die mensen die op subtiele manier de aan- dacht van anderen vestigen op hun offers die ze in hun leven aan God gebracht hebben. Abraham zei dat hij zijn God ging aanbidden. En daar zien we iets van de ware be- tekenis van aanbidding.

Weet u nog dat Jezus eens gezegd heeft: "Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest." (Joh. 8:56). Het moet vast en zeker op de berg Moria ge- weest zijn dat Abraham de dag van Christus zag. In een profetisch gezicht zag de oude aartsvader in zijn eigen


daad een beeld (hoe zwak ook) van die dag waarop God de Vader zelf Zijn eniggeboren Zoon de heuvel Golgotha op zou leiden om Hem daar te offeren voor de zonden van de mensheid. En die dag op de berg Moria ervoer Abraham iets van wat het het hart van God zou kosten om een weer- spannige wereld te redden. Hij kwam die ochtend op een plaats van innige gemeenschap met het hart van God. Ja, hij aanbad God - niet alleen maar met mooie woorden en liederen, maar door de hoge prijs van gehoorzaamheid en offerande.

Een diepe en innige kennis van God kan alleen door zo'n gehoorzaamheid komen. We kunnen heel veel goede the- ologische kennis in ons hoofd verzamelen, maar werkelijk geestelijke kennis kan alleen verkregen worden als men al- les voor God prijsgegeven heeft. Er is geen andere weg.

Alles op het altaar

Abraham werd beproefd om te zien wie hij meer liefhad, de Gever of Zijn gaven. Izak was zonder twijfel de gave van God, maar Abraham liep gevaar een buitensporige genegen- heid voor zijn zoon te ontwikkelen. Izak begon een afgod te worden die Abrahams geestelijke visie zou vertroebelen. En dus kwam God tussenbeide om Abraham van zo'n ramp te redden.

God leerde Abraham op de berg Moria hoe gezegend het was om ontledigd te zijn van alles en niets te bezitten. Voor die tijd had Abraham Izak vastgehouden alsof hij zijn bezit was. Maar nadat hij zijn zoon op dat altaar gelegd had en hem aan God had gegeven, heeft hij Izak nooit weer in bezit gehad. O ja, God gaf Izak aan Abraham terug en Abraham had hem bij zich in huis. Maar hij heeft Izak nooit weer als zijn eigendom gezien. Vanaf dat moment was Izak


van God. En Abraham had Izak zoals een rentmeester het eigendom van zijn meester heeft. Met andere woorden, hij had Izak, maar hij bezat hem nooit weer.

Dit moet onze houding zijn ten aanzien van alle dingen

in deze wereld. We mogen ze hebben en gebruiken. Maar wij mogen er nooit aan vastzitten. Alles wat we hebben moet op het altaar gelegd zijn en volledig aan God gegeven. Wij moeten niets bezitten. Wij kunnen dan alleen houden wat God ons van het altaar teruggeeft - en zelfs die dingen kunnen we alleen hebben als rentmeesters. Alleen dan kun- nen we in waarheid God aanbidden. Dit is de weg tot de heerlijkheid van het Christus-leven. Dit principe geldt niet alleen voor materiële zaken, maar ook voor geestelijke ga- ven. Het is mogelijk dat wij zelfs de gaven van de Heilige Geest vasthouden als iets dat van ons is. Was Izak niet de gave van God? Waarom mocht Abraham hem dan niet vast- houden? Dat hij Ismaël weg moest sturen was begrijpelijk, omdat hij niet het beloofde zaad was. Maar met Izak was dat anders. Hij was een gave van God, verwekt in de kracht van God. Waarom zou Abraham hem dan ook moeten op- geven?

Zo kunnen wij ook redeneren. We kunnen begrijpen dat

het nodig is los te komen van de dingen van de wereld. Maar we mogen toch zeker wel de gave vasthouden die God ons zelf gegeven heeft. Maar God zegt: "Nee, leg zelfs je geestelijke gaven, die Ik je gegeven heb, op het altaar en geef ze Mij terug, opdat ze niet je hele leven gaan beheer- sen en je visie op Mij, de Gever, vertroebelen." God wil dat we vrijkomen van elke buitensporige gehechtheid aan zelfs de heiligste gaven van de Geest die Hij ons gegeven heeft. Hij wil dat we zelfs de "Izaks", die we van Hem ontvangen hebben in antwoord op ons vasten en bidden, zullen of-


feren en geen enkele daarvan vasthouden. Is dit het niet wat veel goede gelovigen vandaag niet gezien hebben? Ze hebben hun Ismaëls opgegeven, maar niet hun Izaks. De gave die God hun gegeven heeft, zijn ze gaan gebruiken om heerlijkheid voor zichzelf te krijgen, zoals de verloren zoon die de gaven van zijn vader in ontvangst nam en ze voor zichzelf besteedde.

Wat vult onze visie - onze gaven en onze bediening of de Gever zelf? Dat moeten we ons voortdurend afvragen. Het gevaar is het grootst als God ons rijk gezegend en veel

"Heere, verlos me van grijpen en graai- en. Geef mij een open handpalm om de spij- ker van Golgotha te ontvangen."

gebruikt heeft. Op zulke mo- menten is het zo gemakkelijk om de visie van God te verlie- zen. Wij moeten telkens weer teruggaan naar het altaar op de berg Moria. We moeten bidden als Jim Elliot: "Heere,

verlos me van grijpen en graaien. Geef mij een open hand- palm om de spijker van Golgotha te ontvangen."

Dat is ware aanbidding - waar de Gever zelf ons hart en onze visie vult. Dan kunnen we veilig de gaven gebrui- ken. Anders gaan wij Gods gaven misbruiken en ze verlagen voor egoïstisch gebruik. Dan gaat het ons om de gaven in plaats van om de Gever.

Het kost ons alles

Abrahams toewijding werd beproefd op de dag dat God hem om Izak vroeg. Had God Abraham om tienduizend schapen of vijfduizend rammen gevraagd, dan zou dat voor Abraham een veel gemakkelijker offer zijn. Maar één Izak kostte hem alles en hij besloot niets minder te offeren dan waar God om vroeg. Abraham zou de woorden gezegd


kunnen hebben die David jaren later uitsprak: "Ik zal de Heere, mijn God geen brandoffers brengen, die mij niets kosten" (2 Sam. 24:24). Ja, ware aanbidding houdt in dat we aan God offeren wat ons alles kost.

Het is meer dan louter toeval dat op deze zelfde plaats, op de berg Moria, de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet, lag, waar David deze woorden van 2 Samuël 24 sprak. En tenslotte bouwde Salomo zijn beroemde tempel op deze zelfde plaats (2 Kron. 3:1). God bepaalde dat Zijn huis ge- bouwd moest worden op de plaats waar twee van Zijn die- naren, Abraham en David, kostbare offers gebracht hadden. Het was die plaats waar vuur uit de hemel nederdaalde en waar de heerlijkheid des Heeren te zien was (2 Kron. 7:1). Zo is het ook vandaag. God bouwt Zijn ware gemeente en openbaart Zijn kracht en heerlijkheid waar Hij mannen en vrouwen vindt die bereid zijn zichzelf te verloochenen en datgene aan Hem te offeren wat hun alles kost.

Kost ons christendom ons iets? Of is ons dienen van God een gemakkelijke, goedkope aangelegenheid, die ons niet veel pijn en moeite kost? Kost ons gebedsleven ons iets? Hebben we een grens gesteld aan de offers die we bereid zijn voor God te brengen? Zoeken we gemak en comfort? En verwachten we dan ook nog dat het vuur neerdaalt en de heerlijkheid van de Heere zichtbaar wordt in ons leven? Laten we onszelf niets wijsmaken. De volheid van de Heilige Geest kan alleen komen als we onszelf met ons hele hart aan God geven.

De weg van het kruis is moeilijk. Hoe moeilijk moet de gedachte niet voor Abraham geweest zijn om zijn eigen zoon te slachten. Het is voor ons niet gemakkelijk om onze kinderen te zien lijden als gevolg van het standpunt dat wij voor God hebben ingenomen. Dat kan heel veel kosten.


Maar zalig zijn we als we daartoe bereid zijn. God staat bij geen enkel mens in de schuld. Als wij Hem geëerd hebben, zal Hij ons zeker eren; en wij zullen zien dat onze kinde- ren God ook volgen, zoals Izak in Abrahams voetsporen trad. De gewilligheid van Izak om op het altaar vastgebon- den en geslacht te worden, was op zichzelf een aanwijzing van zijn toewijding aan de God van zijn vader. Hij was een sterke jongeman en zijn bejaarde vader had hem nooit op het altaar vast kunnen binden als hij dat zelf niet gewild

God bouwt Zijn ware gemeente en openbaart Zijn kracht en heerlijk- heid waar Hij mannen en vrouwen vindt die bereid zijn zichzelf te verloochenen en datge- ne aan Hem te offeren wat hun alles kost.

had. Maar Izak had de reali-

teit van God in het leven van zijn vader gezien, en dus was hij ook bereid om zich te on- derwerpen aan alles wat God verlangde.

Wat een tragiek als ge- lovigen hun hoge normen verlagen en met hun christe- lijke principes een compromis

sluiten, terwille van materiële voordelen voor hun kinderen

- met het gevolg dat hun kinderen opgroeien en hun hart breken en voor de wereld leven.

De grootste beloningen van de hemel zijn gereserveerd voor hen die de voetsporen van Abraham gevolgd zijn en die net als hij niets achtergehouden hebben, wat het hun ook kostte.

Ik herinner me het verhaal van een jong Amerikaans echtpaar, dat als zendelingen naar China ging voor de com- munisten de macht kregen. Ze vroegen aan hun zendings- organisatie hen naar een nieuw werkterrein te sturen, waar het Evangelie nog nooit verkondigd was. En zo werden ze in een klein dorpje in het binnenland, vlakbij Tibet, gesta-


tioneerd. Daar werkten ze zeven jaar lang trouw, maar za- gen geen enkele ziel gered worden. Toen gaf God hun het geschenk van een klein dochtertje. En naarmate dat meisje opgroeide, zagen ze hoe zich vlak voor hun ogen een won- der voltrok. Ze leerden hun kleine meisje Bijbelverzen en koortjes in de plaatselijke taal en zij op haar beurt leerde ze aan de kinderen waar ze mee speelde. Die kinderen gingen naar huis en leerden die verzen aan hun ouders. Al gauw kwam er iemand tot bekering.

Dit zendingsechtpaar bleef daar nog veertien jaar werken (in totaal éénentwintig jaar) zonder verlof, en in die peri- ode werden er nog zeven zielen gered. (God meet succes niet af aan statistieken, zoals de mensen. Dit echtpaar had eenentwintig jaar gegeven om acht zielen de weg tot het eeuwige leven te wijzen. Hun beloning zal zeker groot zijn als Christus terugkomt.) Aan het eind van die eenentwin- tig jaar ontdekte de vader op een dag een vreemde vlek op de hand van zijn veertienjarige dochter. Ze gingen met haar naar een dokter, die hun vertelde dat het meisje le- pra had. Het brak hun hart toen ze beseften wat hun kind nog zou moeten lijden vanwege hun toewijding aan God en Zijn roeping. Moeder en dochter reisden terug naar Amerika voor behandeling. Maar de man zelf bleef in China. Toen men hem vroeg waarom hij niet met zijn gezin meeging naar Amerika, antwoordde hij: "Ik zou graag met mijn gezin meegegaan zijn. Maar hier op mijn zendingspost zijn acht zielen die onderwijs en voeding nodig hebben. Als iemand anders mij komt vervangen, zal het jaren duren voordat ze hem gaan vertrouwen. En daarom weet ik dat ik hier moet blijven." Het kostte dat gezin alles wat ze hadden om God te dienen.

Het koninkrijk van God komt niet door spectaculair uiter-


lijk vertoon, maar door mannen Gods zoals die zendeling. Van sommigen van hen heeft nooit iemand op aarde ge- hoord. Maar ze zullen als sterren stralen in de eeuwigheid. De apostel Paulus had een gemakkelijk leven kunnen kie- zen, nadat hij gered was op de weg naar Damascus. Hij had zich als zakenman in Antiochië of in Tarsis kunnen vestigen en een comfortabel christelijk leven leven. Maar dat deed hij niet. Hij ging uit om God te dienen en leed veel ontbe- ringen. Hij kreeg 195 slagen op zijn rug, hij werd gestenigd en leed schipbreuk en moest veel gevaren onder ogen zien in zijn dienst aan God. Als we hem zouden vragen waarom hij dat allemaal doorstond, zou hij zeggen: "Na mijn ont- moeting met Jezus, heb ik besloten dat ik Hem nooit zou

dienen zonder dat het mij iets kostte."

De Moravische broeders vormden tweehonderd jaar geleden één van de grootste zendingsbewegingen die de wereld ooit gezien heeft. Twee van hen hoorden van een slavenkolonie in West-Indië en verkochten zich vrijwillig als slaven voor de rest van hun leven, om zo op dat eiland aan de slaven daar het Evangelie te kunnen verkondigen. Twee anderen hoorden van een melaatsenkolonie in Afrika, waar niemand binnen mocht komen of eruit gaan, uit angst dat de ziekte zich zou verspreiden. Ze gingen vrijwillig die melaat- senkolonie in voor de rest van hun leven, om Christus te ver- kondigen aan de mensen in die kolonie. Deze Moravische broeders wisten wat het betekende God te aanbidden, door Hem dat te geven wat hun alles kostte.

Wat is ons leven en werk oppervlakkig vergeleken met dat van zulke mannen! Hoeveel heeft het ons gekost om God te dienen - geld, comfort, reputatie, eer en gezond- heid? Beseffen wij dat we niet echt weten wat het is om God te aanbidden als ons christendom ons niet alles gekost


heeft wat deze wereld zo belangrijk vindt? Zij die God met hun hele hart dienen en alles voor Hem opgeven, zijn de enigen die geen spijt hebben in de eeuwigheid. De Heere roept vandaag zulke mensen die Hem willen volgen op de weg van het kruis - ontledigd van alles.

Dit is de weg van kracht. En het is nodig dat we hier weer aan herinnerd worden in een tijd dat de gedachte heerst dat er makkelijker wegen en eens-voor-altijd-ervaringen zijn die geestelijke kracht garanderen. Alleen de weg van het kruis is de weg van kracht. Jezus "richtte Zijn aangezicht" om naar het kruis te gaan (Luk. 9:51). En wij? Dagelijks worden we geconfronteerd met deze keuze. Als wij drie gemakke- lijke stappen naar het overwinningsleven zoeken, heeft de Bijbel geen boodschap voor ons. Maar als wij bereid zijn de prijs te betalen en onszelf te verloochenen en dagelijks ons kruis opnemen en Jezus volgen, dan zullen we inderdaad de kracht van de Geest van God kennen die op ons leven en onze dienst rust.

Hoofdstuk 4
De schoonheid van het Christus-leven

Christus is gekomen om ons "schoonheid in plaats van as" te geven - de schoonheid van Zijn eigen goddelijke le- ven in ruil voor de as van ons zelfleven (Jes. 61:3). We heb- ben enkele van de kenmerken van het zelfleven gezien. En we hebben ook gezien dat de weg van het kruis - verbro- ken en ontledigd worden - de enige weg is die ons uit het duister van ons zelfleven in de volle heerlijkheid van het Christus-leven kan voeren. De dag komt dat Christus terug- komt en alle schaduwen verdwijnen en dan zal de heer- lijkheid ten volle schijnen over allen die deze weg gegaan zijn. Maar zelfs nu, hier op aarde, kan ons leven iets van die heerlijkheid weerspiegelen. Daarvoor heeft God ons Zijn Heilige Geest gegeven. Hij wil ons leven vervullen. De schoonheid van het Christus-leven wordt de onze door de volheid van de Heilige Geest.

Voordat we de kenmerken van een met de Geest vervul-

de christen gaan bekijken, zijn er een paar algemene misvat- tingen met betrekking tot de Heilige Geest en Zijn bediening die eerst opgehelderd moeten worden.

De soevereiniteit van de Geest

Allereerst moeten we beseffen dat de Heilige Geest soe- verein is en op verschillende manieren werkt. Jezus heeft gezegd: "De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is" (Joh. 3:8). Je kunt de wind niet regelen - noch de snelheid, noch de richting ervan. Zo is het ook met de Heilige Geest.


Sommige groeperingen in het hedendaagse christendom proberen de Heilige Geest voor hun karretje te spannen

En toch denken we dat we Hem iets kunnen voorschrij- ven en Hem volgens onze regels en patronen laten wer- ken. Toen de tweede persoon

van de Drie-eenheid hier op aarde was, probeerden de Farizeeën Hem te binden aan hun bekrompen regeltjes en tradities. Maar Hij weigerde

Zich te laten opsluiten in hun waterdichte vakjes. Sommige groeperingen in het hedendaagse christendom proberen de derde persoon van de Drie-eenheid voor hun karretje te spannen. Maar Hij weigert volgens menselijke patronen te werken. Hij blaast waarheen Hij wil. Wij kunnen het geluid daarvan horen, maar Hij laat Zich niet door ons besturen of leiden. Wij kunnen niet zeggen dat Hij in andere levens op dezelfde manier moet werken als in het onze en we kun- nen ook niet verwachten dat Hij vandaag op dezelfde wijze werkt als in het verleden. Nee, Hij is soeverein. Het beste dat we kunnen doen is ons gezicht in de richting te houden waar de wind naartoe waait, en ons door die wind mee te laten voeren. De Heilige Geest kan niet beperkt worden tot het één of andere leerstellige hokje van een kerkgenoot- schap. We zullen ontdekken dat Hij ons verrast door de wijze waarop Hij werkt. Zowel pinksterchristenen als niet- pinksterchristenen dienen dit te erkennen.

De Heilige Geest kan Zich soms manifesteren als een wervelwind. Er kunnen dan diepe emotionele ontroeringen zijn en zelfs ook lichamelijke reacties. Wij moeten dat wil- len accepteren. God sprak tot Job uit een storm (Job 38:1). Er staat dat toen Elia de "geweldige en sterke wind" hoorde, de Heere niet in de wind was (1 Kon. 19:11). Nee. Elke hevige emotie is niet van God. En daarom dienen we voorzichtig


te zijn. God sprak tot Elia in het suizen van een zachte stilte (vs. 12).

De Heilige Geest waait niet altijd als een tornado. Soms wel, maar niet altijd. We moeten niet verwachten dat Hij te allen tijde als een wervelwind komt in ieders leven, omdat Hij dat één keer bij iemand gedaan heeft. Maar op dezelfde wijze moeten we ook niet verwachten dat Hij altijd als een zachte koelte komt. Misschien hebben wij wel een tornado nodig om alles wat Christus onteert, aan het licht te bren- gen.

De verpakking mag nooit worden aangezien voor het ge- schenk. De Heilige Geest zelf is de gave van de opgestane Heere aan Zijn gemeente. Alleen baby's zijn meer geïnteres- seerd in het cadeaupapier dan in het cadeau zelf. Volwassen mensen beseffen dat de gave zelf belangrijker is dan de ver- pakking. De apostel Paulus kwam tot bekering door een vi- sioen van Jezus. Maar hij heeft niet gepredikt dat iedereen eenzelfde visioen nodig heeft voordat hij gered kan worden. Nee, hij besefte dat het om de innerlijke werkelijkheid ging, in wat voor verpakking die dan ook mocht komen. Zo is het ook met de volheid van de Heilige Geest.

De Heilige Geest en Gods Woord

In de tweede plaats moeten we niet vergeten dat de Heilige Geest altijd in overeenstemming met het Woord van God werkt, want Hij heeft zelf dat Woord geschreven en Hij verandert niet. We zien deze waarheid in het allereer- ste begin van de Bijbel. Toen duisternis de aarde bedekte, zweefde de Geest Gods over de wateren en het Woord van God klonk: "Er zij licht". En de gezamenlijke werking van dat scheppende Woord en de Heilige Geest bracht licht waar eertijds duisternis was. Het bracht volheid en vorm


waar voordien leegheid en vormloosheid was (Gen. 1:1-3). De wedergeboorte wordt toegeschreven aan het inge-

plante Woord van God in ons (1 Petr. 1:24), èn aan de wer- king van de Heilige Geest (Tit. 3:5). Heiligmaking is even- eens het gevolg van de werking van Gods Woord en van de Heilige Geest in ons leven (Joh. 17:17; 2 Thes. 2:13). Op dezelfde wijze gaan hier de volheid van de Heilige Geest en vervuld zijn met het Woord van God samen. Dit wordt dui- delijk als we Efeziërs 5:18-6:19 vergelijken met Kolossenzen 3:15-21. In het gedeelte uit Efeziërs lezen we dat de dank- baarheid, God prijzen en elkaar onderdanig zijn in de vreze van Christus, het gevolg zijn van vervuld zijn met de Geest. In het gedeelte in Kolossenzen 3 wordt van dezelfde dingen gezegd dat ze het gevolg zijn van vol zijn van het Woord van God.

Wij moeten deze waarheid beseffen als wij evenwich- tige christenen willen zijn. Een stoomtrein heeft niet al-

Wij hebben de stoom van de Heilige Geest nodig, maar ook de rails van Gods Woord om ons op het rechte spoor te houden.

leen stoom nodig om voor-

uit te komen, maar ook een rails. Wij hebben de stoom van de Heilige Geest nodig, maar ook de rails van Gods Woord om ons op het rechte spoor te houden. Het ene is

niet belangrijker dan het andere. Beide zijn even belang- rijk. Sommigen, die vol stoom beweren te zijn, hebben geen aandacht aan de rails geschonken en zijn vastgelopen in de modder. Door ervaring de belangrijkste plaats toe te kennen, hebben ze niet zorgvuldig alles aan Gods Woord getoetst, en als gevolg zijn ze ontspoord. Zoals een ontspoorde lo- comotief die luid en indringend de stoomfluit blaast, maken velen van hen veel lawaai in hun samenkomsten, maar er is


geen geestelijke vooruitgang, geen groei in gelijkvormigheid aan Christus in hun leven.

Sommige anderen zijn doorgeslagen naar de andere kant. Hoewel ze op de rails gebleven zijn, hebben ze de nood- zaak van volle stoom in de locomotief veracht (of ze hebben zich verbeeld dat ze de volheid hadden, terwijl dat niet het geval was) en zijn ook blijven steken. Ze benadrukken het belang van het Woord van God en letten op iedere punt en komma daarin; ze blijven de rails bewonderen en poetsen. Maar ze erkennen niet dat ze met de Heilige Geest vervuld moeten worden. Ze zijn fundamenteel in hun leer - de rails zijn volkomen recht - maar er is niet voldoende stoom om de locomotief voort te bewegen. Laten we beide extremen vermijden.

Onze beperkte kennis

In de derde plaats moeten we erkennen dat zelfs de bes- ten onder ons niet alles weten over de Heilige Geest en Zijn werkingen. Sommige christenen geven de indruk dat ze alle antwoorden hebben op alles wat met de Heilige Geest te maken heeft. Ze hebben de Bijbelse leer over dit onderwerp geanalyseerd en elk vers netjes ingedeeld. Ik kijk heel erg uit voor zulke mensen, want ik weet dat ze het verkeerd hebben. Wij weten niet alles. Wij kennen slechts ten dele - en vooral als het de bediening van de Heilige Geest betreft. Wij moeten erkennen dat ons beperkt en zondig verstand niet in staat is ten volle de grootheid van God de Heilige Geest te beseffen.

De meest diepgaande uitspraak in de Bijbel is te vinden in Ezechiël 37:3, waar Ezechiël zegt: "Heere HEERE, Gij weet het." Ik denk dat er veel waarheid in deze woorden ligt. We weten tot op zekere hoogte. Maar wij komen al-


lemaal tot het punt waar we moeten zeggen: "Heere God, ik weet alleen dit, maar er is zoveel meer wat ik niet weet. Ik zie slechts iets van de waarheid." Zoals Job zei: "Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord?" (Job 26:14). Zo'n houding bewaart ons voor veel vleselijk dogmatisme over de dingen van de Heilige Geest waarover de Bijbel ons niet duidelijk onderwijst. Het geeft ons ook een grotere ver- draagzaamheid tegenover anderen die niet precies dezelfde visie hebben over de bediening van de Geest. Misschien hebben ze het verkeerd, maar dat kan ook met ons het ge- val zijn. Dat wat duidelijk in de Schrift geopenbaard is, is voor ons onderricht, maar verder dan dat mogen wij niet speculeren (Deut. 29:29).

Geen kortere weg

In de vierde plaats mogen we niet vergeten dat er geen kortere weg is naar het met de Geest vervulde leven - geen gemakkelijke formule die succes garandeert. In onze tijd, waarin alles gebeurt met een druk op de knop en de mens algemeen een filosofie aanvaard heeft van een gemakke- lijk en comfortabel leven, kunnen christenen deze houding onbewust overbrengen in geestelijke dingen. Het gevolg is dat wij kunnen denken dat er de één of andere eenvoudige formule bestaat om met de Heilige Geest vervuld te wor- den: eerst stap één, dan twee, dan drie - en kijk, wij zijn vervuld! Maar we vinden zo'n formule nergens in de Bijbel. We moeten uitkijken dat we niet proberen de werking van de Heilige Geest in iemands leven te reduceren tot een rijtje formules. De volheid van de Geest is niet een mechanische zaak, maar een zaak van leven - en geestelijk leven kan niet in formules weergegeven worden.


Beroem u niet op uw vervulling

In de vijfde plaats willen we opmerken dat er in het hele Nieuwe Testament geen enkel voorbeeld te vinden is van iemand die getuigt dat hij met de Geest vervuld werd. Dit is een verbazingwekkend feit, maar desondanks waar en van grote betekenis. In het boek Handelingen vermeldt Lukas dat er verscheidene mensen met de Geest vervuld werden, maar niemand van hen heeft ooit zelf van dat feit getuigd. Kijk naar de apostel Paulus. In het begin van zijn christenleven gebeurden er vier dingen met hem, zoals we in Handelingen 9 lezen. Hij kwam tot bekering (vs. 6), werd genezen (vs. 18), gedoopt in water (vs. 18) en vervuld met de Heilige Geest (vs. 17). Maar als Paulus zijn getuigenis geeft (zowel in Hand. 22 als 26) noemt hij alleen de eerste drie dingen. Hij geeft een uitvoerig getuigenis over hoe hij tot bekering kwam. Hij vertelt ook dat God zijn blinde ogen genas en dat Ananias hem doopte. Maar hij noemt het feit niet dat hij met de Geest vervuld werd. Zelfs in zijn brie- ven noemt hij nooit zijn ervaring van de vervulling met de Heilige Geest, hoewel hij wel vele van zijn andere ervarin- gen noemt.

Waarom zweeg Paulus over zijn ervaring van de vervul- ling met de Geest? Daar was een reden voor. Van de vier

In het hele Nieuwe Testament is geen enkel voorbeeld te vinden van iemand die getuigt dat hij met de Geest ver- vuld werd.

dingen die met hem gebeurd

waren, waren alleen de eer- ste drie eenmalige gebeur- tenissen. De vierde moest een voortdurende ervaring zijn. De wedergeboorte van Paulus, de genezing van zijn

ogen en zijn waterdoop waren alle gebeurtenissen die nooit herhaald hoefden te worden. Maar de volheid van de Geest


was een ervaring die dagelijks en van moment tot mo- ment vernieuwd moest worden. Merk op dat Paulus ons in Efeziërs 5:18 zelf aanspoort om voortdurend te worden ver- vuld met de Geest - dat is wat de tijd van het werkwoord in het Grieks aanduidt. Daarom getuigde Paulus daar nooit van.

Wat had Paulus een andere instelling dan zij die er van- daag de dag prat op gaan! Paulus bewees dat hij vervuld was met de Geest door zijn leven en zijn werk. Het was niet nodig dat hij tegenover anderen getuigde dat hij ver- vuld was. Daarentegen zijn er vandaag onder ons die alleen maar over de één of andere ervaring uit een grijs verleden kunnen getuigen, maar in hun leven en werk zeker niet aan Paulus doen denken.

Als wij vervuld zijn met de Heilige Geest, weten anderen dat zonder dat we hun dat hoeven te zeggen. Het gelaat van Mozes straalde, maar hij wist dat zelf niet. Alleen an- deren zagen het (Ex. 34:29,30). Zo is het ook met de per- soon die waarachtig met de Geest vervuld is. Ik heb het hier niet over het getuigenis betreffende het ontvangen van de Heilige Geest, maar over het vervuld zijn met Hem. Allen die werkelijk wedergeboren zijn, hebben de Heilige Geest ontvangen (Rom. 8:9) en zij zouden daarvan moeten kun- nen getuigen (zie Hand. 19:2 en Gal. 3:3). Maar we hebben geen Bijbelse grond om te getuigen dat we vervuld zijn met de Geest.

Het voorbeeld van Paulus

Er is waarschijnlijk geen duidelijker beschrijving van het met de Geestvervulde leven dan de woorden van Paulus in Galaten 2:20: "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij." Want


wat is het doel van de volheid van de Geest anders dan het leven van Jezus in ons te reproduceren? En dus is de mate waarin ons zelfleven gekruisigd is en het Christus-leven ge- openbaard wordt in ons, de mate van onze ervaring van de volheid van de Heilige Geest. Paulus zei tegen de christenen in Filippi: "Weest mede mijn navolgers…gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt" (Fil. 3:17). Hij was iemand die anderen kon vragen zijn voorbeeld na te volgen. Hij hoefde niet te zeggen: "Zie niet op mij, maar op Christus." Herhaaldelijk spoort hij anderen aan naar het voorbeeld van zijn leven te kijken en hem na te volgen zoals hij Christus navolgt (1 Kor. 4:16; Gal. 4:12). Zijn geestelijk leven was zodanig, dat hij tegen koning Agrippa, ondanks zijn ketenen, kon zeg- gen: "Ondanks alles wat u in deze wereld hebt, o koning, wens ik dat u ook zo was als ik (geestelijk)" (Hand. 26:29). Hij roemde niet in zichzelf, want ergens anders heeft hij gezegd: "Door de genade Gods, ben ik wat ik ben" (1 Kor. 15:10).

We willen daarom naar het leven en de bediening van de apostel Paulus kijken om enkele kenmerken van het Christus-leven nader te beschouwen. Daartoe willen we acht schriftgedeelten bestuderen waarin Paulus zijn leven en dienst beschrijft en daarbij deze zelfde woorden gebruikt: "Ik ben." Eerst willen we kijken naar de kenmerken van zijn met de Geestvervulde bediening en daarna naar die van het met de Geestvervulde leven.

Een Geestvervulde bediening

Er zijn vier dingen die ik graag wil noemen met betrekking tot een met de Geestvervulde bediening, vanuit de woorden van Paulus.


I. Een liefdesslaaf

In de eerste plaats is een met de Geest vervulde bedie- ning de dienst van een liefdesslaaf. In Handelingen 27:23 zegt Paulus: " God, Wiens ik ben, Welke ik ook dien". Hij was een liefdesslaaf van zijn God. Hij had afstand ge- daan van het recht op zijn eigen leven. Hij had alles aan zijn Meester gegeven.

De enige goede basis voor onze toewijding is een erken- ning dat we in de eerste plaats geheel aan God toebehoren. Onszelf aan God geven uit dankbaarheid voor wat Hij voor ons gedaan heeft, is, hoewel goed op zich, niet de juiste basis voor christelijke toewijding. Liefde voor Christus kan de drijvende kracht zijn in onze dienst voor de Heere. Maar de basis op grond waarvan we ons leven aan God moeten toewijden is het feit dat Hij ons gekocht heeft aan het kruis. We zijn daarom nu Gods eigendom en hebben geen recht meer op onszelf.

Als daarom iemand zijn hele leven aan God geeft, be- wijst hij God daarmee niet een grote gunst. Nee! Hij geeft

Het belangrijkste van een slaaf is dat hij alleen doet wat zijn meester hem opdraagt.

God alleen maar terug wat hij

van Hem gestolen had. Als ik iemands geld zou stelen en het hem later, omdat ik van zonde overtuigd werd, terug

zou geven, zou dat beslist geen gunst zijn die ik die man bewees. Ik zou naar hem toegaan als een berouwvolle dief. En dat is de enig juiste houding waarin we tot God kunnen naderen als we ons leven aan Hem gaan geven. God heeft ons gekocht. Als we dat erkennen, hebben we de enig juiste basis voor onze toewijding gevonden.

Paulus was een liefdesslaaf van de Heere. Zoals de Hebreeuwse slaaf, die in het zevende jaar van zijn dienst vrij


mocht gaan, maar zelf verkoos in die dienst te blijven omdat hij zijn meester liefhad (Ex. 21:1-6), diende ook Paulus zijn Meester. Hij was niet een gehuurde knecht, die voor loon werkte, maar iemand die diende zonder ergens recht op te hebben.

God zoekt mensen die zo overgegeven zijn aan Hem, dat ze altijd naar Hem opzien om van Hem te weten wat ze moeten doen, en niet druk bezig zijn met wat zij denken dat ze voor God moeten doen. Een slaaf doet geen dingen omdat hij daar zelf zin in heeft. Nee. Hij vraagt: "Meester, wat wilt U dat ik doen zal?" En hij doet wat hem wordt opgedragen. Het belangrijkste van een slaaf is dat hij alleen doet wat zijn meester hem opdraagt.

I'm but a slave!

I have no freedom of my own;

I cannot choose the smallest thing - Nor e'en my way.

I'm a slave!

Kept to do the bidding of my Master - He can call me night or day.

Were I a servant, I could claim wages - Freedom sometimes, anyway.

But I was bought -

Blood was the price my Master paid for me, And I am now His slave -

And evermore will be.

He takes here, He takes me there, He tells me what to do;

I just obey, that's all - I trust Him too!"


De Heere heeft eens gezegd: "Ik heb onder hen gezocht naar iemand … maar Ik heb hem niet gevonden" (Ezech. 22:30). Hij zoekt ook vandaag naar liefdesslaven zoals in het lied hierboven beschreven, maar Hij vindt er helaas zo weinig.

II. Evangelische passie - geen emotionele opwinding

In de tweede plaats is een met de Geest vervulde dienst een dienst in het besef dat men anderen iets schuldig is. Paulus zei: "Beide Grieken en niet-Grieken, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar" (Rom. 1:14). God heeft ons een schat gegeven om die met de wereld te delen. Wij zijn als postbodes die hun ronde doen met zakken vol geld en cheques om aan allerlei mensen te geven. Zo'n postbode blijft bij die mensen in de schuld staan totdat hij aan ieder- een betaald heeft wat hij hun verschuldigd is. Hoewel hij misschien duizenden guldens in zijn zak heeft, is er geen cent van hem. Hij is een schuldenaar.

De apostel besefte dat hij een soortgelijke schuld had toen God hem de boodschap van het evangelie toever- trouwde. Hij wist dat die uitgedeeld moest worden. En hij wist ook dat hij in de schuld bleef staan bij anderen totdat hij hun de boodschap van de verlossing gegeven had. Na vijfentwintig jaar het goede nieuws gepredikt te hebben, zegt Paulus nog steeds: "Ik ben een schuldenaar", en hij vertelt de Romeinse christenen dat hij nu klaar staat om naar Rome te komen om zijn schuld aan de mensen in Rome te betalen. Let op het "ik ben" in Romeinen 1:14: "Ik ben een schuldenaar …" (in het Engels staat in vs.14-16 drie maal "ik ben"). Een met de Geest vervulde bediening gaat uit naar anderen. In de erkenning van zijn schuld ten aanzien van anderen is hij altijd bereid te gaan om die schuld te vereffe-


nen. Het bewijs van de volheid van de Geest en de schoon- heid van het Christus-leven zien we niet in opwindende emotionele ervaringen, maar in een hartstocht voor Christus en voor het verlorene.

Ja, een met de Geest vervulde bediening wordt geken- merkt door een passie voor evangelisatie en gaat altijd uit

Pronken met jezelf vind je in de kleuterschool.

naar anderen. Hij is begaan met de noden van anderen en let niet alleen op zijn eigen

voldoening. Christus zelf heeft nooit geprobeerd Zichzelf te behagen (Rom. 15:3).

Het moet in onze tijd zeker benadrukt worden dat de vol- heid van de Geest en de geestesgaven niet bedoeld zijn om ons emotioneel te bevredigen. En ze zijn zeker niet bedoeld om ermee te pronken naar anderen. Pronken met jezelf vind je in de kleuterschool. God wil dat wij geestelijk volwassen zijn, en als we dat zijn is onze passie evangelisatie.

Dr. E.L. Cattell zegt in zijn prachtige boek "The Spirit of Holiness", dat er vijf gevaren zijn in emotionaliteit, waarvoor we op onze hoede moeten zijn. Ik wil ze hier noemen:

1) Het gevaar onze oprechtheid te verliezen - het gevoel dat God niet aanwezig is in een samenkomst, tenzij in die samenkomst de emoties worden opgewekt tot een bepaalde geluidsgrens. We beseffen Gods aanwezigheid door het ge- loof en niet door gevoelens, want God woont niet in onze emoties maar in onze geest.

2) Het gevaar emotionele opwinding te zoeken in plaats van God zelf. Extase kan een afgod voor ons worden.

3) Het gevaar van een verkeerd getuigenis als we onze emoties niet beheersen. We moeten anderen niet ziek ma-


ken door onze vroomheid te paraderen. God is een God van orde en Hij verlangt nooit van ons dat wij tegen princi- pes van fatsoen en orde in onze samenkomsten ingaan. En we moeten anderen niet ongeestelijk noemen alleen om- dat ze onze grofheden niet aanvaarden. Genade aanvaardt kwelling, maar kwelt anderen nooit.

4) Het gevaar van energieverspilling. Het is schadelijk om ons over te geven aan emotionele ervaringen zonder dat ze op passende wijze in ons leven tot uitdrukking komen. Bijvoorbeeld als je naar een concert luistert en er diep van onder de indruk bent, moet je dat gevoel tot uitdrukking brengen in de één of andere vriendelijke daad, bijvoorbeeld door de volgende morgen je grootmoeder een bezoek te brengen. Op geestelijk gebied is het ook buitengewoon schadelijk onze emoties op te wekken met geweldige er- varingen, zonder ze tegelijk tot uitdrukking te brengen door uit te gaan om in de geestelijke of lichamelijke noden van anderen te voorzien.

5) Het gevaar van valse heiligheid. Satan kan ons op een zijspoor zetten door emotionele sensaties. Als je je vrouw of iemand anders beledigd hebt, wil God dat je je tegenover haar of hem verontschuldigt voordat de gemeenschap met God in je leven weer hersteld kan worden. Maar satan kan je zo'n fijn gevoel geven in een emotioneel opgezweepte sa- menkomst, dat hij je kan misleiden te geloven dat je met de Geest vervuld bent - terwijl je dat eenvoudig niet kunt zijn, want het belangrijkste punt is nog niet in orde, namelijk dat je die gekwetste persoon nog om vergeving moet vragen. God verlangt dat je dit laatste eerst doet. Anders heeft satan je voor de gek gehouden met een illusie van heiligheid.

Ik wil onze emoties niet onderwaarderen. God heeft


ons daarmee geschapen en Hij wil niet dat we als een steen zijn. Maar we moeten niet vergeten dat een met de Geestvervulde bediening zich altijd uitstrekt naar anderen, zich bewust van een schuld aan hen, en niet alleen maar zichzelf behaagt met ervaringen op emotioneel vlak.

We moeten daarbij twee belangrijke feiten niet uit het oog verliezen:

a) Elke ervaring die we krijgen in een emotioneel geladen bijeenkomst zou wel eens uit onszelf kunnen voortkomen in plaats van uit God.

b) Elke ervaring die iemand zijn zelfbeheersing doet verlie- zen, is zeker niet van God.

God wil niet dat ons leven afhankelijk is van onze gevoe- lens. Hij wil dat we door geloof leven. Daarom laat God het soms toe dat we ons geestelijk droog voelen. Zulke ge- voelens van droogheid zijn niet altijd een aanwijzing dat er zonde in het leven is. Het zijn vaak pogingen van God om ons wakker te schudden uit onze afhankelijkheid van gevoelens.

We moeten tegenwoordig heel voorzichtig wandelen, want de duivel misleidt velen door een overaccentuering van emoties. Als we los willen komen van de strikken van satan, laten we er dan aan denken dat de schoonheid van het Christus-leven gezien wordt in een leven dat naar ande- ren uitgaat.

III. Menselijke onbekwaamheid

In de derde plaats is een met de Geestvervulde bedie- ning een bediening die zich bewust is van menselijke onbe-


kwaamheid. Let op Paulus' woorden in 2 Korinthe 10:1: "Ik, die…wel gering ben onder u …" of met andere woorden: "Ik heb geen indrukwekkende persoonlijkheid." De overle- vering zegt dat de apostel Paulus ongeveer anderhalve me- ter lang was. Hij was kaal en had een oogziekte. Hij had geen filmsterachtige persoonlijkheid. Het succes van zijn werk hing niet af van menselijke factoren, want er was niets aan zijn verschijning of zijn spreken dat indruk maakt.

Met betrekking tot zijn prediking schrijft Paulus aan de Korinthiërs: "En ik was bij u in zwakheid en in vreze en in

Als de Geest van God door een mens spreekt, is die mens zelf zich gewoonlijk niet bewust dat hij een spreekbuis van God is.

veel beving" (1 Kor. 2:3). Als

hij predikte, was hij zich eer- der bewust van zijn zwakheid dan van de kracht van God die door hem heen stroomde. Dat is bediening die met de Geest vervuld is, want vergeet

niet dat er een gemeente ontstond in het heidense Korinthe, als gevolg van Paulus' prediking.

Als de Geest van God door een mens spreekt, is die mens zelf zich gewoonlijk niet bewust dat hij een spreekbuis van God is. Ik ben altijd op mijn hoede voor die mensen die zo zeker zijn dat, als ze op de preekstoel staan, God door hen heen spreekt - en die niet aarzelen om dat te zeggen. Mijn ervaring met zulke mensen is dat God helemaal nooit door hen gesproken heeft. Ze hebben alleen een verwaand idee dat ze een profetische boodschap hebben. Daarvan is de mens door wie God wel spreekt zich gewoonlijk niet be- wust. De apostel Paulus zegt: "Ik meen ook de Geest Gods te hebben" (1 Kor. 7:40b). Hij was niet zeker dat God door hem heen sprak. Toch weten we dat het Gods stem was, want wat Paulus schreef is opgenomen in de Bijbel. Maar


Paulus zelf was zich daar niet van bewust.

Ja, een met de Geestvervulde dienst is zich bewust van menselijke onbekwaamheid. Zoals Paulus zegt: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Kor. 12:10). De met de Geest vervulde dienstknecht van God gaat telkens weer tot God, en zegt: "Ik heb niets om aan anderen te geven. Geeft U me alstublieft het levende brood", zoals de man in de gelijkenis (Luk. 11:5-8). De dienaar van de Heere is zich altijd bewust van zijn eigen ontoereikendheid.

Laten we geen verkeerde gedachten hebben over wat een met de Geestvervulde bediening is. Er is niet zozeer een bewustzijn van Gods kracht, als wel van vrees en onzeker- heid. Pas lang nadat het werk klaar is, hebben we, als we terugkijken, de zekerheid dat God inderdaad door ons heen gewerkt heeft.

I. Onze roeping vervullen

In de vierde plaats is een bediening die met de Geest ver- vuld is een bediening die Gods specifieke roeping vervult. In Kolossenzen 1:23 en 25 zegt Paulus: "… van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden ben" en "Welker dienaar ik geworden ben." In 1 Tim. 2:7 zegt hij: "Waartoe ik aan- gesteld ben een prediker en apostel" - aangesteld door de doorboorde handen van Jezus en niet door een aards ritu- eel. God riep Paulus om apostel te zijn. Deze roeping werd hem toevertrouwd, zoals hij zelf zegt in Kolossenzen 1:25. Het was Gods gave - niet iets dat hij zelf bereikt of verdiend had door zijn trouw. Hij zegt ook in hetzelfde vers dat deze roeping aan hem gegeven werd voor anderen. Het was een rentmeesterschap, dat God hem had toevertrouwd voor de opbouw van de Gemeente.

God heeft een specifieke roeping voor ieder van ons. Het


heeft geen zin om God te vragen ons tot iets te maken waar Hij ons niet toe geroepen heeft - want de Heilige Geest beslist welke gave ieder van ons krijgt. Paulus was geroepen tot het apostelschap. Maar niet iedereen heeft zo'n roeping. Waar we wèl Gods aangezicht voor moeten zoeken, is voor kracht om dat te doen waar Hij ons toe geroepen heeft. "Zorg dat je de bediening, die je van de Heere aangenomen hebt, ook vervult", was Paulus' advies aan Archippus (Kol. 4:17).

God zal nooit de verkeerde persoon gebruiken. Hij weet

wat Zijn gemeente op een bepaald moment en op een be- paalde plaats nodig heeft en


Hij bereidt ieder van ons voor (als wij onderdanig zijn), voor een specifieke taak - en dat kan wel heel wat anders zijn dan we zelf zouden willen.


God heeft een speci-

fieke roeping voor ieder van ons. God zal nooit de verkeerde persoon gebruiken.


"Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?" (1 Kor. 12:29,30). Nee, God heeft elk van deze gaven aan het lichaam van Christus gegeven, maar voor ons is het het belangrijkste dat we zien wat ónze gave en roeping is en die gave te gebruiken en die roeping te vervullen. Een met de Geestvervulde bediening is een bediening die die specifieke roeping vervult die God ons geeft.

Als er één gave is waar het Nieuwe Testament ons spe- ciaal toe aanmoedigt die te zoeken, dan is het wel de gave van profetie (1 Kor. 14:39). Dit is misschien wel de gave die het meest nodig is in de gemeente vandaag. Een profetische bediening bestraft, corrigeert, spoort aan, verlicht, bemoe-


digt en bouwt op (1 Kor. 14:3). We moeten bidden dat God ons profeten geeft in onze gemeenten, die de waarheid van God spreken, zonder vrees of vleierij - mannen van een ander kaliber dan de beroepspredikers, de schriftgeleerden, die meer geïnteresseerd zijn in hun salaris, status en popu- lariteit.

Moge de Heere ieder van ons helpen Zijn aangezicht ernstig te zoeken om uit te vinden wat Zijn roeping is.

Het Geestvervulde leven

We willen nu vier aspecten zien - opnieuw uit het leven van de apostel Paulus.

I. Volkomen tevredenheid

Een leven vervuld met de Heilige Geest is allereerst een leven van volkomen tevredenheid. In Filippenzen 4:11 zegt Paulus: "Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben". En deze vergenoegdheid, deze tevredenheid, geeft altijd overvloed van vreugde en vrede. Vandaar dat Paulus over vreugde en vrede spreekt in de verzen 4 en 7 van het- zelfde hoofdstuk.

Wij kunnen God alleen prijzen als wij volmaakt tevreden zijn met al Zijn handelen met ons. Als wij in een God ge- loven die soeverein is en daarom alle dingen die ons over- komen, kan doen medewerken ten goede, dan kunnen we echt in alle omstandigheden tevreden zijn. Dan kunnen we de Heere prijzen zoals Habakuk, zelfs als de bomen in onze tuin geen vrucht dragen, onze kudde sterft en als we zwaar financieel verlies lijden - of in welke situatie ook. Efeziërs 5:18-20 geeft aan dat het gevolg van de vervulling met de


Heilige Geest een stroom van lofprijs voor God is. De apos- tel Paulus kon zich zelfs verblijden toen hij opgesloten zat in de gevangenis, met zijn voeten in het blok (Hand. 16:25). Hij was zelfs daar vergenoegd en zag geen enkele reden om zich te beklagen. Dit is één van de eerste kenmerken van een leven dat met de Geest vervuld is. Als een christen gaat mopperen, is dit een aanwijzing dat hij, net als de Israëlieten die in de woestijn tegen God mopperden, nog niet binnen- gegaan is in het beloofde land van overwinning.

II. Groei in heiligheid

In de tweede plaats is een leven dat met de Geest ver- vuld is, een leven van groei in heiligheid. Naarmate iemands eigen leven toeneemt in heiligheid, neemt ook zijn bewust zijn van de absolute heiligheid van God toe. Deze twee gaan samen. Het tweede is in feite een test of iemand het eerste heeft.

Groei in heiligheid gaat altijd gepaard met een toenemend bewustzijn van je eigen zondigheid in de ogen van God.

Vijfentwintig jaar na zijn bekering zegt Paulus: "Ik ben de minste van de apostelen" (1 Kor. 15:9). Vijf jaar later zegt hij: "Mij, de allerminste van al

de heiligen" (Ef. 3:8). Nog een jaar later zegt hij: "Zondaren, van welke ik de voornaam- ste ben." (1 Tim. 1:15). Ziet u hoe zijn heiliging toeneemt in

deze uitspraken? Hoe inniger Paulus met God wandelde, hoe meer hij zich bewust werd van de verdorvenheid en boosheid van zijn eigen hart. Hij besefte dat er in hem geen goed was (Rom. 7:18). Het voornaamste kenmerk van de wedergeboorte is een afschuw van onszelf. Dit leert de Bijbel ook. In Ezechiël 36:26,27 en 31 zegt God: "Ik zal u


een nieuw hart geven en een nieuwe geest in het binnenste van u, … En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u … en gij zult een walging van uzelf hebben over uw on- gerechtigheden en over uw gruwelen…" Alleen zo'n mens kan het gebod in Filippenzen 2:3 gehoorzamen om anderen uitnemender te achten dan zichzelf. Wie zijn eigen verdor- venheid ziet, veracht niemand anders meer.

Hij is ook bereid om elke fout onmiddellijk te belijden en zonde zonde te noemen. De mens die met de Geest vervuld is, probeert niet alleen anderen de indruk te geven dat hij in heiligheid groeit, maar hij groeit ook daadwerkelijk. Hij zal niet van ervaringen getuigen en niet proberen anderen van zijn theologie over heiliging te overtuigen. Zijn leven laat zo'n heiliging zien dat anderen naar hem toe komen, uit zichzelf, en hem naar het geheim van zijn leven vragen.

Ware heiliging krijgt alleen hij die er met zijn hele hart naar zoekt en niet degene die alleen de juiste leer in zijn hoofd heeft. Neem het voorbeeld van twee godvruchtige mannen uit de achttiende eeuw, die een verschillende leer hadden over heiligmaking: David Brainerd en John Fletcher. Brainerd jammerde voortdurend over zijn zondigheid en ge- brek aan toewijding aan God. Fletcher daarentegen voelde dat hij volkomen geheiligd was en daardoor volledig vrij van ik-gerichtheid. Wie was de heiligste van die twee? Ik geloof dat beiden even heilig zijn geweest, ondanks het radicale verschil in de wijze waarop ze zichzelf zagen. Hun verschil- lend temperament en verschillend inzicht in de leer van de heiligmaking verklaart de verschillende manier waarop ze hun hart beoordeelden. Zo was het ook met George Whitefield en John Wesley en met Jonathan Edwards en Charles Finney. Ze hielden er verschillende leringen op na


wat betreft de heiligmaking, maar het waren allemaal heili- gen die God evenveel kon gebruiken. Het geheim van een heilig leven wordt niet ontdekt, zoals sommigen denken, door een bestudering van Griekse woorden en werkwoords- tijden in het Nieuwe Testament, maar door een oprecht en hartelijk verlangen God te behagen. God kijkt naar ons hart, niet naar onze hersens! Groei in heiligheid gaat, net als bij Paulus, altijd gepaard met een toenemend bewustzijn van je eigen zondigheid in de ogen van God.

III. Een gekruisigd leven

In de derde plaats is een leven dat met de Geest vervuld is, een gekruisigd leven. Paulus heeft gezegd: "Ik ben met Christus gekruisigd" (Gal. 2:20). We hebben in de vorige twee hoofdstukken al iets gezien van de betekenis van het kruis. We hebben gezien dat de weg van het kruis de weg tot de volheid van de Geest is. Maar elke keer dat het kruis naar de Geest leidt, leidt de Geest weer terug naar het kruis. De Geest en het kruis zijn niet te scheiden.

De weg van het kruis is de weg tot de volheid van de Geest.

Het kruis is een symbool van zwakheid, schande en dood. De apostel Paulus had vrees, verdrukking, verdriet en tranen in zijn leven (zie 2 Kor.

1:8; 4:8; 6:10; 7:5). Hij werd

als een dwaas en een fanatie- keling beschouwd. Hij werd

door anderen vaak als uitvaagsel, als voetveeg behandeld (1 Kor. 4:13). Dit alles is niet in strijd met de volheid van de Geest. Integendeel, de man die met de Geest vervuld is, ontdekt dat God hem steeds verder op de weg van vernede- ring leidt, van sterven aan zichzelf.

De mens die met de Geest vervuld is geeft niet om eer van mensen. Hij aanvaardt vernedering en smaad met blijd-


schap. Hij roemt in niets anders dan het kruis (Gal. 6:14). Hij roemt niet in zijn gaven en bekwaamheden, zelfs niet in zijn diepere innerlijke ervaringen. Hij roemt alleen daarin dat hij voortdurend sterft aan zichzelf.

Het kruis is ook het symbool van Gods liefde. Gods liefde voor de mens werd geopenbaard doordat de Zoon van God aan het kruis voor de mensen stierf. Zo'n liefde kenmerkt ook de mens die met de Geest vervuld is. Tussen hem en ieder ander staat een kruis, waaraan hij aan zichzelf gestorven is om de ander te kunnen liefhebben. Dit is de ware betekenis van liefde.

Watchman Nee vertelt in zijn brochure "Twee gedrags- principes" het verhaal van twee boeren in China, christenen, die hun akkers halverwege een berghelling hadden en die 's morgens vroeg opstonden om hun akkers te bevloeien. Een paar andere boeren, van wie de akkers lager op de hel- ling lagen, kwamen op een nacht en groeven een gat in de irrigatiedijkjes en lieten al het water van de hoger gele- gen akkers op de hunne lopen. Dit gebeurde zeven dagen achtereen en de twee christenen vroegen zich af hoe ze moesten reageren. Uiteindelijk besloten ze dat ze als gelovi- gen die andere boeren de liefde van Christus moesten laten zien. De volgende morgen stonden ze vroeg op en gaven eerst de lager gelegen akkers water en daarna hun eigen. Ze plaatsten een kruis tussen zichzelf en de andere boeren en stierven daaraan aan hun eigen rechten. Toen die niet-chris- tenen zagen hoe dit twee of drie dagen zo gebeurde, waren ze verbroken en kwamen naar de christenen toe en zeiden: "Als dit christendom is, willen we er meer van weten."

Jezus heeft gezegd dat als de Heilige Geest op Zijn dis- cipelen zou komen, ze kracht zouden ontvangen om Zijn getuigen te zijn. Het woord "getuigen" is in het Grieks "mar-


tus", waar het woord "martelaren" van afgeleid is. De letter- lijke betekenis van Handelingen 1:8 is dus dat als de Heilige Geest op de discipelen zou neerdalen, ze kracht zouden ontvangen om martelaren te zijn - martelaren, niet alleen maar in de zin van één keer sterven op de brandstapel, maar martelaren die bereid waren dagelijks aan zichzelf te sterven. Een getuige die met de Geest vervuld is, is dus ie- mand die het gekruisigde leven leidt.

IV. Voortdurende geestelijke toename

In de vierde plaats is een leven dat met de Geest vervuld is, een leven dat voortdurend een grotere mate van volheid zoekt. "Strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het doel" , zegt Paulus bijna dertig jaar na zijn bekering en tegen het einde van zijn leven (Fil. 3:14). Hij had het nog steeds niet bereikt. Hij zoekt een steeds grotere mate van de volheid van de Geest van God in zijn leven en spant daar- om elke geestelijke spier om dit doel te bereiken. Hij zegt in Filippenzen 3:12: "Niet dat ik reeds volmaakt zou zijn." Maar in vers 15 lijkt hij het tegenovergestelde te zeggen: "Zovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen." Dit is de paradox van het met de Geestvervulde leven - vol- maakt en toch niet volmaakt; met andere woorden: vol en toch verlangend naar een grotere mate van volheid.

Met de Geest vervuld zijn is niet statisch. Er is altijd een grotere mate van volheid. De Bijbel zegt dat de Heilige Geest ons leidt van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Kor. 3:18), of met andere woorden, van de ene mate van volheid tot de andere. Een kopje kan vol water zijn, een emmer ook, een tank ook en een rivier ook. Maar er is een enorm verschil van hoeveelheid in het kopje en in de rivier.

De pas wedergeboren bekeerling kan bij zijn bekering


onmiddellijk met de Geest vervuld worden. De apostel Paulus was ook aan het eind van zijn leven met de Geest vervuld. Maar er is een heel groot verschil tussen de volheid van de bekeerling en de volheid van de volwassen apos- tel. De eerste kun je vergelijken met dat kopje water en de tweede met een volle rivier.

De Heilige Geest wil voortdurend onze capaciteit ver- groten, zodat Hij ons in ruimere mate kan vullen. Hier gaat het kruis een rol spelen. Er kan geen vergroting, geen ver- ruiming van onze capaciteit plaatsvinden als we de weg van het kruis vermijden. Daarom waren de Korinthische christe- nen zo oppervlakkig. Ze roemden in gaven en gingen aan het kruis voorbij. En daarom spoort Paulus ze in zijn twee brieven telkens weer aan om het kruis in hun leven te aan- vaarden. Hij zegt hun dat het in hun binnenste te eng is en dat er meer ruimte moet komen (2 Kor. 6:13).

Als wij het kruis voortdurend in ons leven toelaten, zullen

God zoekt mannen en vrouwen die nooit te- vreden zijn met alleen ervaringen en zegenin- gen, maar die hun kruis dagelijks willen opne- men en Jezus navolgen.

we ontdekken dat het kopje een emmer wordt, de emmer een tank, de tank een rivier en de rivier vele rivieren. Als onze capaciteit verruimt, zul- len we bij ieder stadium mer- ken dat we weer opnieuw ge- vuld moeten worden. Zo zal

de belofte van de Heere Jezus in ons vervuld worden: "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend wa- ter zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest" (Joh. 7:37,38).

Dit verklaart tevens waarom Paulus de christenen in Efeze aanspoort om "voortdurend met de Geest vervuld te wor- den" (Ef. 5:18, volgens de grondtekst). Paulus heeft kennelijk


nooit in een eens-voor-altijd-ervaring van de vervulling met de Heilige Geest geloofd. Waar hij hier over spreekt is een voortdurende verruiming van capaciteit voor een grotere mate van volheid.

Paulus aanvaardde zelf altijd het kruis. Hij zegt in 2 Korinthiërs 4:10: "Altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zal geopenbaard worden." (in toenemende mate). Eén aspect van het kruis dat hij aanvaardde was het disci- plineren van zijn lichamelijke begeerte. De volheid van de Geest is nooit een substituut voor discipline en hard wer- ken. Paulus had het nog steeds nodig om zijn lichaam te tuchtigen en het in bedwang te houden (1 Kor. 9:27). Hij disciplineerde zijn ogen in wat ze lazen en waar ze naar keken, zijn oren in waar ze naar luisterden en zijn tong in wat die sprak. Hij disciplineerde zijn leven op elk terrein. Zo werd hij ruimer.

Dank God voor iedere crisis die Hij in ons leven geeft. Maar laten we niet vergeten dat iedere crisis tot een proces moet leiden. Christus is niet alleen de Deur, Hij is ook de Weg. Als wij door de enge poort binnengaan, moeten we daarna op de smalle weg wandelen. Laten we ons er nooit schuldig aan maken dat we de crisis benadrukken ten koste van het proces. De wedergeboorte is een crisis, maar gees- telijk leven op dit moment is waar het om gaat, niet alleen de herinnering aan een datum in het verleden. Sommigen kunnen zich de datum waarop de crisis van de nieuwe ge- boorte plaatsvond niet meer herinneren. Maar we zeggen niet dat een mens dood is alleen omdat hij zich zijn geboor- tedag niet meer kan herinneren! En toch is helaas voor som- mige christenen het getuigenis van een ervaring het enige bewijs van leven! Ook met betrekking tot de volheid van de


Geest is de huidige realiteit daarvan het belangrijkste, zoals die zichtbaar is in een leven en een dienst die aan Christus gelijkvormig zijn. De herinnering aan een ervaring in het verleden, hoe wonderbaar ook, is op zich nutteloos. God zoekt mannen en vrouwen die nooit tevreden zijn met al- leen ervaringen en zegeningen, maar die hun kruis dagelijks willen opnemen en Jezus navolgen en zo in hun leven en bediening de realiteit laten zien van die woorden uit Galaten 2:20: "Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij." Dit en dit alleen is het leven dat vervuld is met de Geest.

Not I but Christ be honored, loved, exalted, Not I but Christ be seen, be known, be heard; Not I but Christ in ev'ry look and action,

Not I but Christ in ev'ry thought and word.

Oh to be saved from myself, dear Lord, Oh to be lost in Thee,

Oh that it may be no more I But Christ that lives in me."